Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  Voorpagina arrow Opmerkelijk arrow Geen straf opgelegd voor tijdelijk bezit 683 kilo cocaïne
 
Geen straf opgelegd voor tijdelijk bezit 683 kilo cocaïne
donderdag, 9 juni 2011

Partij bakbananen moest natuurlijk wel op tijd naar de klanten! 

Op 11 april 2011 is geen enkele straf opgelegd in een grote drugszaak, de feiten zijn niettemin bewezenverklaard. Verdachte maakte een verkeerde afweging tussen het melding van de vondst van de harddrugs tussen de bakbananen aan de politie, het verbranden/vernietigen van de partij en zijn eigen zakelijke belangen. Na veelvuldig overleg met anderen werd besloten - uiteindelijk - toch de politie te bellen. Hij kreeg vervolgens het justitiële apparaat over zich heen. Uit het oordeel van de rechtbank:

 'Verdachte heeft na het ontdekken van de aanwezigheid van de cocaïne verzuimd direct de politie in te lichten. Pas na verloop vier à vijf uren, hebben verdachte en zijn medeverdachten de politie op de hoogte gesteld van de vondst.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben toen zij de cocaïne ontdekten hun zakelijke belangen laten prevaleren boven het algemeen belang. Verdachte wilde, door de vondst in eerste instantie te verdoezelen, reputatieschade aan zijn bedrijf voorkomen en bevorderen dat de bederfelijke bakbananen waar de cocaïne tussen verstopt zat, zo spoedig mogelijk de klanten zouden kunnen bereiken.

Voorts heeft verdachte samen met zijn medeverdachten plannen gemaakt om van de cocaïne af te komen door deze te verbranden of te begraven. Pas toen de hoeveelheid cocaïne te groot bleek te zijn om (ongemerkt) te laten verdwijnen, hebben verdachte en zijn medeverdachten de politie gebeld. Van de wens tot het verkopen van de cocaïne voor eigen gewin is de rechtbank overigens niet gebleken.' De overwegingen bespreken het wettelijk kader rond het handelen van verdachte:

3.3.1.1   Machtssfeer

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad25 volgt, dat voor het 'aanwezig hebben' van een middel als bedoeld in artikel 2 onder C van de Opiumwet niet noodzakelijk is dat de (mede)dader enige beschikkings- of beheersbevoegdheid over het middel heeft. Voldoende is, dat het middel zich in de machtssfeer van de dader bevindt. De rechtbank overweegt tegen deze achtergrond als volgt.

Uit de vastgestelde feiten blijkt dat verdachte omstreeks 12:00 uur op de hoogte is geraakt van de aanwezigheid van een witte substantie in het door hem enkele minuten eerder aangetroffen pakket. Daarop werd in overleg met vier andere aanwezige personen unaniem besloten de politie (nog) niet te bellen. Besproken werd of het mogelijk was om het materiaal te verbranden en afgesproken werd om alle pallets van de zending te verplaatsen naar een aparte loods.

Voorts werd daarop door anderen dan verdachte, maar wel met instemming van verdachte, de zending gecontroleerd op de aanwezigheid van nog meer pakketten. Verdachte heeft op enig moment het terrein verlaten en is later, vergezeld van zijn vrouw, teruggekeerd. Hij heeft toen wederom overleg gepleegd met de vier eerdergenoemde personen en zijn vrouw.

Tijdens dat gesprek had iedereen een inbreng en werd gezamenlijk besloten toch de politie te bellen. Enige tijd later vond er wederom een overleg plaats alwaar werd besloten alsnog af te zien van het inschakelen van de politie. Toen men er achter kwam dat de omvang van de vondst groter was dan enkele pakketten werd er, wederom in onderling overleg, besloten de politie te bellen. Dat is toen ook gebeurd.

De rechtbank leidt uit de verklaring van verdachte en zijn medeverdachten af dat verdachte bij al deze overleggen aanwezig was en dat hij een aandeel heeft gehad in de besluitvorming en in de handelingen die uit die overleggen voortkwamen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de betrokkenheid van verdachte bij de totstandkoming van die besluiten en handelingen, verdachte, vanaf het moment dat hij op de hoogte was van de witte substantie in het pakket tot het moment dat de politie ter plaatse kwam, de pakketten in zijn machtssfeer heeft gehad.

Opzet aanwezig want verdachte kon zelf bepalen wat te doen met de kilo's

R.o. 3.3.1.2  Opzet

Over de vraag of verdachte ook opzet had op het aanwezig hebben van de cocaïne, overweegt de rechtbank het volgende. Uitgangspunt is dat het bestanddeel 'opzet' alle gradaties van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet omvat.

Verdachte was niet op de hoogte van de chemische samenstelling van het witte poeder. Echter, nu verdachte zelf aanstonds het vermoeden had dat het cocaïne betrof, nu het poeder goed verpakt en verstopt was - kennelijk met de bedoeling om bij controles onopgemerkt te blijven - en nu verdachte bovendien wist dat de zending uit Colombia afkomstig was26 - een land waarvan algemeen bekend is dat daar veel cocaïne wordt geproduceerd - heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de pakketten cocaïne zouden bevatten.

Door dit niet direct te melden hebben verdachte en zijn medeverdachten de pakketten in hun machtssfeer gehouden. Zij konden immers bepalen wat zij met de cocaïne zouden doen. Verdachte heeft aldus het opzet gehad op het aanwezig hebben van de cocaïne.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte nimmer opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van de cocaïne, nu uit het dossier blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten de gevonden drugs wilden verbranden, begraven of aan de politie overhandigen.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat de wetgever het aanwezig hebben van verdovende middelen met voornoemde doelen voor een korte termijn als hier aan de orde, nimmer strafbaar heeft willen stellen. Nu de verdediging dit verweer in de sleutel van het 'opzet' heeft geplaatst, zal de rechtbank dit hier bespreken. Zij overweegt daartoe het volgende.

Uit de wetsgeschiedenis van de Opiumwet volgt dat de wetgever in speciale gevallen de mogelijkheid heeft willen bieden uitzonderingen te maken op onder andere het in artikel 2 onder C van die wet gegeven verbod. Middels algemene maatregelen van bestuur en ontheffingen op grond van de artikelen 3C, eerste lid, 4, eerste en tweede lid, 5 en 6 van die wet kunnen specifieke instanties en individuen op lijst I (en II) staande middelen aanwezig hebben zonder daarmee een strafbaar feit te plegen.

Blijkens artikel 8 van die wet is het doel van die ontheffing dat het belang van de volksgezondheid, de gezondheid van dieren of enige wetenschappelijk onderzoek wordt gediend. In enige andere uitzondering op het bepaalde in artikel 2 onder C van de Opiumwet heeft de wetgever niet voorzien.

Niet in geschil is, dat verdachte, noch zijn medeverdachten, noch [bedrijf] een bij wet aangegeven persoon of instantie is die valt onder genoemde uitzonderingen. Evenmin beschikten verdachte of zijn medeverdachten over een ontheffing of was er sprake van een feit of omstandigheid waarbij reeds genoemde belangen werden gediend.

Het is dan ook het Openbaar Ministerie dat, buiten genoemde uitzonderingen, gelet op het opportuniteitsbeginsel en haar richtlijnen zelf kan bepalen wanneer het tot vervolging overgaat. Klaarblijkelijk is in de ogen van het Openbaar Ministerie het feit dat verdachte en zijn medeverdachten zich na lang wachten - ongeveer vier tot vijf uur - alsnog bij de politie hebben gemeld met de vondst, geen reden om van vervolging af te zien.

De rechtbank kan het Openbaar Ministerie in deze afweging volgen. Het verwijt dat verdachte en zijn medeverdachten in feite wordt gemaakt is dat zij na het ontdekken van de (vermoedelijke) cocaïne deze cocaïne aanwezig hebben gehouden, in die zin dat zij hun vondst niet terstond hebben gemeld aan de politie. Door het gedrag van verdachte en zijn medeverdachten is de kans ontstaan (en onnodig lang blijven bestaan) dat de cocaïne in omloop zou komen en schade kon opleveren aan de volksgezondheid.

Dat verdachte en zijn medeverdachten dit wilden verhinderen door de cocaïne te verbranden of begraven doet hieraan niet af, nu dit eveneens onwenselijke gevolgen, bijvoorbeeld voor het milieu zou opleveren. Gelet op de grote waarde van de vondst (miljoenen euro's) was bovendien niet ondenkbaar dat het laten verdwijnen van de cocaïne aanleiding zou kunnen geven voor nieuwe strafbare feiten. Het nalaten van verdachte en zijn medeverdachten de vondst direct te melden valt verdachte en zijn medeverdachten te verwijten.

De verdediging heeft ten slotte betoogd dat de douane een ernstige fout heeft gemaakt waarvan de gevolgen niet op verdachte mogen worden afgewenteld. Dit zou nader onderzocht moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat wat de oorzaak van het doorlaten ook moge zijn zulks niet afdoet aan het verwijt dat verdachte en zijn medeverdachten kan worden gemaakt.

Dit betekent tevens dat de rechtbank het (voorwaardelijke) verzoek tot aanhouding van de zaak om stukken over de controle bij de douane aan het dossier te doen toevoegen, zal afwijzen. Dit, omdat de informatie die dergelijke stukken kunnen verschaffen gelet op het beperkte verwijt dat verdachte thans nog wordt gemaakt, niet van belang is voor enige in deze zaak te nemen beslissing.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad zoals strafbaar gesteld in artikel 2 onder C van de Opiumwet.

Verdachte is feitelijk al genoeg gestraft

De rechtbank vindt dat de strafzaak voor verdachte en zijn gezin 'uiterst ingrijpend is geweest - zo ligt het bedrijf van verdachte inmiddels stil en zijn de zoon en dochter van verdachte en diens vrouw door de detentie van hun ouders tijdelijk in een pleeggezin geplaatst - geen aanleiding thans nog een straf of maatregel op te leggen. Zij zal verdachte dan ook schuldig verklaren zonder oplegging van enige straf of maatregel'.

Aldus mrs E.C. van Veen, C.H.M. Royakkers en J.T.W. van Ravenstein. Of de bakbananen alsnog hun bestemming hebben bereikt is niet bekend.

LJN: BQ7556, Rechtbank 's-Gravenhage, 09/535461-08

 
< Vorige   Volgende >


 woensdag, 22 november 2017





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Praktische ontwerpfouten ergenis in aanloop opening peperduur Paleis van Justitie Amsterdam

Nu maar hopen dat de koning overmorgen niet tegen die marmeren bank aanloopt

Het ontwerp van het nieuwe Paleis van Justitie aan het IJDock in Amsterdam is meer vorm dan functioneel. Stadszender AT5 bericht dat er zelfs een werkgroep in het leven is geroepen om het onlangs opgeleverde pand tegen het licht te houden.

De woordvoerder van het Paleis geeft op camera met schaamtevolle blik en verlegen lach toe dat een praktische aantal zaken over het hoofd is gezien.

LEES VERDER...
 
Rechters gaan termijnen in civiele zaken strikt handhaven

De Rechtspraak, Den Haag - De termijnen in het rolreglement voor civiele dagvaardingszaken worden vanaf 1 oktober strikt gehandhaafd door alle rechtbanken. In de praktijk blijkt dat sommige rechters soepeler zijn dan anderen, als advocaten zich bijvoorbeeld niet aan de vastgestelde termijn houden bij het indienen van een uitstelverzoek. Daardoor ontstaat rechtsongelijkheid.

De landelijke Rolrechtersvergadering heeft daarom afgesproken met ingang van komend najaar weer streng de hand te houden aan de termijnen.

LEES VERDER...
 
Alex Brenninkmeijer wordt hoogleraar Institutionele aspecten van de rechtsstaat

“Als oud-rechter, voormalig Nationale ombudsman en tegenwoordig lid van de Europese Rekenkamer heb ik ervaring met drie instituties van de rechtsstaat, het lijkt mij geweldig om mijn ervaring in de Utrechtse academische context te delen en mee te werken aan het strategisch thema Instituties”, aldus Brenninkmeijer.

Vanaf juli dit jaar is voormalig nationaal ombudsman dr. Alex Brenninkmeijer (1951) hoogleraar ‘Institutionele aspecten van de rechtsstaat’ aan de Universiteit Utrecht, zo laat de UU weten.

LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden