Nederlands Juridisch Dagblad NJD ß Juridisch nieuws - Weigering afgifte stageverklaring advocatuur, onbehoorlijke praktijkvoering stagiaire-ondernemer

Nederlands Juridisch Dagblad NJD ß Juridisch nieuws - Weigering afgifte stageverklaring advocatuur, onbehoorlijke praktijkvoering stagiaire-ondernemer

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII ß Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
ß Gebruiksvoorwaarden 
ß Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD ß RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  OriŽntatie:  Voorpagina arrow Advocatuur arrow Weigering afgifte stageverklaring advocatuur, onbehoorlijke praktijkvoering stagiaire-ondernemer
 
Weigering afgifte stageverklaring advocatuur, onbehoorlijke praktijkvoering stagiaire-ondernemer
dinsdag, 2 oktober 2012

'Mijn cliŽnten zijn veeleisend', maar dat zijn de beleidsregels ook

Privťonttrekkingen uit onderneming, aankoop onroerend goed in Turkije. FinanciŽle integriteit en onafhankelijkheid advocaat op de tocht

Eiser, vertegenwoordigd door mr. G.J.P.C.G. Verheijen, tegen de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten, verweerder en de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Arnhem, partij ex artikel 8:26 van de Awb.

Essentie: waarborging van een behoorlijke zelfstandige praktijkvoering is een beleidsregel van kwalitatieve aard, die gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is toegestaan. De overwegingen, voorzover hier interessant:

 '4.  Verweerder heeft in de kern genomen aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd.

4.1  Voor de beslissing een stageverklaring al of niet af te geven mag de Raad beleid hanteren, dat ook kwalitatieve eisen bevat (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 oktober 2009, LJN: BK0122). Dit beleid is daarom niet onredelijk. Dit betekent dat verweer-der toepassing mocht geven aan de Beleidsregels, aldus verweerder.

4.2  De eis die betrekking heeft op voldoende waarborging van een behoorlijke, zelfstandige praktijkvoering is zoín kwalitatieve bepaling. De Raad heeft tot het oordeel kunnen komen dat van dergelijke waarborgen geen sprake was. Hij mocht daarbij uitgaan van feiten en omstandigheden die zich tijdens de stageperiode hebben voorgedaan.'

Onder minimum-loon 

'4.3  Eiser heeft tijdens de stage een veel lagere omzet gegenereerd dan vermeld in zijn ondernemingsplan. De lagere omzet bleek eerst nadat de Raad een onderzoek had ingesteld. Uit de overgelegde financiŽle resultaten blijkt dat de financiŽle basis van de praktijk niet als solide kan worden getypeerd. Eiser is niet in staat uit de praktijk het minimumloon te genereren.'

Geen ondernemer

'4.4  Voor zover eiser zich erop beroept dat zijn clientŤle veeleisend is, waardoor hij niet alle werkzaamheden kan doorberekenen, leidt verweerder daaruit af dat eiser niet over de vaardigheden beschikt die noodzakelijk zijn voor het voeren van een gezonde onderneming. Verweerder ziet geen aanleiding rekening te houden met de in dit verband door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden.

Doordat eiser voor de aankoop van onroerend goed in Turkije geld uit de onderneming heeft onttrokken, manoeuvreert hij zich willens en wetens in een positie die zijn financiŽle integriteit en onafhankelijkheid in gevaar kan brengen, zulks ten detrimente van de belangen van zijn cliŽnten en het vertrouwen in de advocatuur en daarmee in een goede rechtsbedeling.'

Beleid met kwalitatieve aspecten

'6.  De rechtbank moet de beslissing tot handhaving in administratief beroep van een weigering van de sta-geverklaring met terughoudendheid toetsen, omdat verweerder ter zake beoordelingsruimte heeft (zie de eerder aangehaalde uitspraak van 14 oktober 2009 en de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2012, LJN: BV2412).

7.  Als de rechtbank eiser goed begrijpt, stelt deze zich allereerst op het standpunt dat artikel 9.1 van de Beleidsregels onverbindend is of buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 10 van de Stageverordening 1988.

Volgens eiser kan de eis van voldoende waarborgen voor een behoorlijke, zelfstandige praktijkuitoefening niet worden ontleend aan artikel 10. Daarmee gaat het in artikel 9.1 van de Beleidsregels neergelegde criterium verder dan artikel 10 en dat is niet toegestaan.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de hiervoor vermelde uitspraken van de Afdeling volgt dat voor de verlening van een stageverklaring beleid mag worden gevoerd en dat dit beleid kwalitatieve aspecten mag bevatten.

De beleidsregel dat de stagiaire voldoende waarborgen moet bieden voor een behoorlijke, zelfstandige praktijkvoering is zoín beleidsregel van kwalitatieve aard. Er is daarom geen sprake van een beleidsregel die strijdig is met artikel 10 van de Stageverordening 1988, zodat verweerder van deze beleidsregel mocht uitgaan. Ook de stelling van eiser dat de beleidsregel met terugwerkende kracht wordt toegepast, kan niet slagen, nu de regel immers al geruime tijd gold toen de Raad besloot de stageverklaring te weigeren.

8.  De rechtbank acht deze beleidsregel ook overigens niet onredelijk. Eisers stelling dat de beleidsregel leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen stagiaire-ondernemers enerzijds en stagiaires in loondienst anderzijds wordt verworpen.

Verweerder en de Raad konden zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat deze gevallen nu juist niet gelijk zijn en dat voor de stagiaire-ondernemer meer uitgewerkte criteria gelden voor de financiŽle aspecten van de zelfstandige praktijkvoering. De rechtbank oordeelt dat verweerder daarvoor terecht niet alleen de belangen van de cliŽnten van eiser, maar ook die van het vertrouwen in de advocatuur en daarmee de rechtsbedeling relevant heeft geacht.

Die zijn immers ook betrokken bij een financieel niet solide praktijkvoering door een advocaat. Bij zijn onderzoek mocht verweerder betekenis toekennen aan de financiŽle resultaten tijdens de stageperiode en aan de toets of deze resultaten overeenkwamen met het vooraf opgestelde ondernemingsplan.

Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid de beleidsregel aldus heeft kunnen uitwerken dat de Raad bij het afgeven van de stageverklaring laat meewegen of eiser uit zijn praktijk in ieder geval het minimumloon kan genereren. Aan eisers stelling dat daarmee geen rekening wordt gehouden met inkomsten uit andere activiteiten gaat de rechtbank voorbij, omdat eiser niet heeft gesteld dat hij inkomsten uit andere beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten heeft.

Ten slotte wordt ook eisers argument verworpen dat de Raad niet optreedt tegen advocaten wier inkomen is gezakt onder de grens van het minimuminkomen. De situatie van een praktiserende advocaat bij wie het inkomen is gezakt onder de grens van het minimuminkomen is niet op rechtens relevante wijze gelijk aan die van de stagiaire-ondernemer die gedurende zijn stage niet in staat is geweest een inkomen gelijk aan het minimumloon te genereren.

9.  Eiser stelt vervolgens dat verweerder bij diens toets van de financiŽle aspecten van zijn praktijk eraan voorbij heeft gezien dat zijn ondernemingsplan niet meer maatgevend was, omdat hij gedurende een aantal jaren parttime heeft gewerkt en dat hij in 2010 wel degelijk uit zijn praktijk een hoger inkomen dan het minimumloon heeft kunnen genereren. De rechtbank overweegt dat verweerder in punt 38 van het bestreden besluit in zijn beslissing heeft betrokken dat eiser een gedeelte van zijn stage in deeltijd heeft gewerkt.

In zoverre gaat eiser uit van een verkeerde lezing van het bestreden besluit. Verder kan de rechtbank uit de overgelegde jaarrekening over 2010 niet halen dat eiser uit zijn praktijk een inkomen boven het minimumloon heeft kunnen genereren. Weliswaar is het eigen vermogen iets minder negatief dan in 2009, de schuldpositie van de onderneming blijft echter nog steeds zodanig dat verweerder heeft mogen concluderen dat de financiŽle positie niet solide was.

Verder komt het voor rekening van eiser dat zijn accountant de belastingschuld heeft laten oplopen. Voorts is de omstandigheid dat de privťschuld die in de jaarstukken over 2010 en 2011 voorkomt inmiddels is afgelost, niet relevant, omdat de Raad en verweerder hun oordeel hebben moeten baseren op de situatie aan de het einde van de stageperiode.

Ook de positieve trend in eisers praktijkvoering die mr. [naam 3] schetst in zijn brief van 23 augustus 2011 leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze positieve trend is gesignaleerd in een periode die is gelegen na beŽindiging van de stage.

10.  Anders dan eiser stelt kon verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser, doordat hij regelmatig zijn uren moest afboeken of zijn uren in het geheel niet kon declareren, ervan blijk gaf niet over die vaardigheden te beschikken die noodzakelijk zijn om een gezonde onderneming te voeren.

Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat hij het ongewenst vond dat eiser privťonttrekkingen deed uit zijn onderneming, omdat daarmee zijn financiŽle integriteit en onafhankelijkheid in gevaar zou kunnen komen. De stelling dat verweerder zoín standpunt alleen dan zou kunnen innemen, als die integriteit of onafhankelijkheid in het verleden daadwerkelijk onder druk heeft gestaan, is onjuist.

11.  Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hierboven onder 4.1 tot en met 4.4 weergegeven en in 5 tot en met 10 besproken gronden de beslissing tot weigering van de stageverkla-ring in onderlinge samenhang gezien zelfstandig kunnen dragen. De door eiser aangevoerde gronden tegen de overige door de Raad gehanteerde en door verweerder besproken argumenten behoeven geen bespreking, omdat dit overwegingen ten overvloede zijn.

12.  Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.'

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. Uitspraak van mr. F.J. de Vries, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg op 28 juni 2012. LJN: BX8903, Rechtbank Arnhem, AWB 11/4546

 
< Vorige   Volgende >


 maandag, 22 januari 2018





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Afwijzing aanvraag om wel heel bijzondere bijstand: kroegbezoek chronisch psychiatrisch patiŽnt

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Appellante (de aanvrager) lijdt meer dan twintig jaar aan een schizoaffectieve stoornis. Zij heeft vele psychiatrische behandelingen ondergaan en jarenlang een dagactiviteitencentrum bezocht. Op 11 mei 2004 heeft appellante een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor consumptiekosten in haar stamcafť Marktzicht te Utrecht (cafť). 

De vrouw heeft toegelicht dat zij een chronisch psychiatrisch patiŽnt is en dat zij niet alleen thuis kan zijn. Zij brengt haar dagen door in het cafť om onder de mensen te zijn.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft de gemeente deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 16 augustus 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het (latere) besluit ongegrond verklaard. Jaren later (2010) heeft de vrouw het nog een keer geprobeerd, maar de gemeente wees het weer af. Uiteindelijk belandde de zaak bij de hoogste bestuursrechter, de Centrale Raad van Beroep.

Waarom naar de kroeg?

De vrouw vindt dat zij de kosten tot een bedrag van Ä 300,- per maand niet meer uit haar vermogen kan bestrijden en wijst op een verklaring van haar psychiater. Daarin staat dat de vrouw niet in aanmerking komt voor reguliere dagopvang, omdat zij niet meer bestand is tegen de confrontatie met chronisch psychiatrische patiŽnten.

In de loop van de jaren heeft zij veel vrienden die zij via de psychiatrie heeft leren kennen, verloren onder andere door zelfdoding. Het cafť is een laagdrempelige manier om een sociaal netwerk op te bouwen buiten de psychiatrie. Appellante gebruikt sporadisch alcohol.

Uitspraak Centrale Raad

LEES VERDER...
 
Brief Raad voor de rechtspraak na tweede rondgang langs gerechten

Rvdr, Den Haag -  De Raad voor de rechtspraak treft dertien concrete maatregelen om de in december 2012 in een manifest gesignaleerde problemen op te lossen en onvrede in de Rechtspraak weg te nemen.

Dat staat in een brief die de Raad voor de rechtspraak aan alle medewerkers heeft gestuurd. De aanleiding voor de brief was een manifest dat door raadsheren van het toenmalige gerechtshof in Leeuwarden was opgesteld. Dit manifest riep de Raad voor de rechtspraak en de gerechtsbesturen op prioriteit te geven aan kwaliteit en inhoud van het rechtspreken en minder te sturen op productiecijfers.

LEES VERDER...
 
U I T G E L I C H T
Eerste Kamer akkoord met lesbisch ouderschap
De senaat heeft vandaag de wetsvoorstellen juridisch ouderschap vrouwelijke partner van moeder (33.032) en Wijziging Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met Juridisch ouderschap vrouwelijke partner van moeder (33.514 (R1998) na stemming bij zitten en opstaan aangenomen. PVV, VVD, PvdA, GroenLinks, SP, D66, PvdD, OSF, 50PLUS en het lid Hoekstra (CDA) stemden voor. De duomoeder kan automatisch juridisch ouder worden door huwelijk, als er sprake is van een onbekende zaaddonor. In alle andere gevallen kan zij het kind erkennen
LEES VERDER...
 
President Geert Corstens kondigt terugtreden Hoge Raad aan miv 1 november
Geert Corstens heeft in zijn (interne) nieuwjaarstoespraak zijn terugtreden als president van de Hoge Raad per 1 november 2014 aangekondigd, meldt het hoogste rechtscollege.
LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden