Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Tekst uitspraak (beslissing) grievende uitlatingen Bram Moszkowicz over rechter Marcel van Oosten

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Tekst uitspraak (beslissing) grievende uitlatingen Bram Moszkowicz over rechter Marcel van Oosten

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  Voorpagina arrow Advocatuur arrow Tekst uitspraak (beslissing) grievende uitlatingen Bram Moszkowicz over rechter Marcel van Oosten
 
Tekst uitspraak (beslissing) grievende uitlatingen Bram Moszkowicz over rechter Marcel van Oosten
dinsdag, 8 januari 2013
Dekenbezwaar tegen mr. Bram Moszkowicz (verweerder) gegrond. Hier nog even de essentie van de beslissing d.d. 12 december 2012. De bekende strafpleiter heeft zich in een interview in De Telegraaf uitgelaten over rechter Marcel van Oosten. De raad is van oordeel dat verweerder zich met zijn – in het dagblad gepubliceerde interview – gedane uitlatingen niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. De in het interview gedane, op de persoon van de rechter gerichte kritiek, ontbeert een zakelijk karakter en overschrijdt de grenzen die aan uitoefening van de aan verweerder als advocaat toekomende vrijheid van meningsuiting worden gesteld.

De onnodig grievende wijze waarop verweerder zijn kritiek heeft geuit, is niet in overeenstemming met de verantwoordelijkheid die op verweerder als advocaat rust met het oog op het waarborgen van het gezag van de rechterlijke macht en de advocatuur en van de waardigheid van de rechtspleging.

Vrijwel volledige tekst, met overwegingen raad:

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht wordt, gelet op de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard, van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.2 In het dagblad De Telegraaf van 24 december 2011 is een met verweerder op 23 december 2011 gehouden interview gepubliceerd. Daarin zegt verweerder over het proces tegen zijn cliënt W. (politicus Geert Wilders, red. NJD):

“(…) Het was in meerdere opzichten een bijzondere strafzaak. Er waren onthutsende opmerkingen van rechters en het niveau van sommige advocaten van benadeelden was beschamend. Rechtbankvoorzitter [mr. O], die ik kende als een joviale man met humor, bleek te zijn veranderd in een krampachtige, humorloze magistraat. Hij was kennelijk van bovenaf volgestopt met opdrachten. (…)”

2.3 Bij brief van 5 januari 2012 heeft de deken verweerder in kennis gesteld van zijn bezwaar met betrekking tot deze uitlatingen. De deken heeft verweerder het volgende geschreven:

“Ik acht dergelijke uitlatingen ongepast voor een advocaat. Voor wat betreft de eerste volzin heb ik er moeite mee dat de persoon van een rechter in welke discussie ook wordt betrokken. De rechterlijke macht is een instituut van grote betekenis in onze rechtsstaat en aan die betekenis wordt afbreuk gedaan wanneer de man of vrouw onder de toga onderwerp van gesprek wordt in plaats van de functionaris. De eed die elke advocaat aflegt heeft onder meer betrekking op eerbied voor de rechterlijke autoriteiten en die eed is niet anders te verstaan dan dat de advocaat, ter wille van de rechtsstaat, onvrede over het optreden van de rechter of diens beslissingen niet ombouwt tot een op de persoon van de rechter gerichte polemiek.

Zwaarder telt voor mij dat u de rechter in kwestie beschrijft als iemand die kennelijk van bovenaf is volgestopt met opdrachten. Eén van de belangrijkste aspecten van een behoorlijke rechtspleging is dat een rechter zich in een concrete zaak, door niets anders laat leiden dan door zijn ambtsopvatting en de inhoud van het dossier. Sturing van buitenaf of, zoals u het noemt “van bovenaf” staat daar haaks op. Een advocaat dient te vermijden dat de integriteit van een rechterlijke ambtenaar in twijfel kan worden getrokken. Een uitzondering kan zijn dat er concrete aanwijzingen bestaan voor een gebrek aan integriteit maar daarvan is zo te zien in uw geval geen sprake nu u het woord “kennelijk” gebruikt, terwijl daarnaast iets dergelijks langs daartoe geëigende kanalen aan de orde zou moeten worden gesteld en daar behoort een interview in de krant niet toe. Ik overweeg ernstig om als deken een bezwaar met betrekking tot deze uitlatingen aan de Raad van Discipline voor te leggen. Ik verzoek u binnen drie weken na heden mij te laten weten wat uw reactie is.”

2.4 Verweerder heeft bij faxbrief van 25 januari 2012 de deken als volgt geantwoord:

“Ter beantwoording ligt voor mij uw brief van 5 januari jl. in opgemelde kwestie.

In verband met mijn (plotselinge) vertrek naar de Antillen om aldaar een zaak te bepleiten ben ik nog niet aan de beantwoording van uw brief toegekomen. Aangezien ik deze kwestie zeer hoog opneem en van principiële aard acht te zijn, wil ik u op enig moment uitvoerig en gemotiveerd antwoorden.

Ik verzoek u vriendelijk mij een uitstel te verlenen. Ik keer terug uit de Antillen op 6 februari en zeg u toe dat ik in die week mijn antwoord aan u zal doen toekomen. Zonder uw tegenbericht ga ik er vanuit dat u hiermee kunt leven.”

2.5 Bij faxbrief aan de deken van 3 februari 2012 heeft verweerder bericht dat de deken op 8 februari 2012 zijn antwoord in zijn bezit zal hebben.

2.6 Bij brief van 21 februari 2012 heeft de deken verweerder bericht dat hij een dekenbezwaar aan de raad zal voorleggen, nu een inhoudelijke reactie van verweerder op zijn brief van 5 januari 2012 is uitgebleven. 

2.7 Verweerder heeft ook nadien geen inhoudelijke reactie gegeven op de brief van 5 januari 2012

3 HET DEKENBEZWAAR

Het dekenbezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij op 23 december 2011 zich als volgt heeft uitgelaten, hetgeen heeft geleid tot een op 24 december 2011 in het

dagblad De Telegraaf gepubliceerd gehouden interview:

“(…) Het was in meerdere opzichten een bijzondere strafzaak. Er waren onthutsende opmerkingen van rechters en het niveau van sommige advocaten van benadeelden was beschamend. Rechtbankvoorzitter [mr. O], die ik kende als een joviale man met humor, bleek te zijn veranderd in een krampachtige, humorloze magistraat. Hij was kennelijk van bovenaf volgestopt met opdrachten. (…)”.

4 HET VERWEER

4.1 Verweerder heeft ter zitting erkend dat de hem verweten uitlatingen een correcte weergave zijn van hetgeen hij tegen de journalist van De Telegraaf heeft gezegd. Hij heeft verder gesteld dat de reden voor zijn uitlatingen was dat mr. O. tijdens de strafzitting in de zaak W. anders handelde dan zoals hij van hem gewend was. Daaruit heeft verweerder afgeleid dat de president van de Amsterdamse rechtbank aan mr. O. opdracht heeft gegeven hem - verweerder, dus - wat de orde op de zitting betreft kort te houden. Dit heeft verweerder bedoeld met zijn uitlatingen in De Telegraaf.

 

4.2 Verweerder ontkent dat hij met zijn uitlatingen mr. O heeft willen beledigen en voert aan dat hij niet gezegd heeft dat mr. O partijdig was of op hem de schijn van partijdigheid rustte. Als verweerder mr. O daarvan zou hebben verdacht, dan had hij hem wel gewraakt. Verweerder vindt bovendien dat de tijd voorbij is dat rechters niet bekritiseerd mogen worden.

5 BEOORDELING

5.1 De raad acht het van groot belang voor het functioneren van de advocatuur dat advocaten in hun betrekkingen met de rechterlijke macht de nodige voorkomendheid in acht nemen, overeenkomstig de door hen op grond van artikel 3 van de Advocatenwet afgelegde eed of belofte dat zij  “eerbied voor de rechterlijke autoriteiten” zullen betrachten.

5.2 In gedragsregel 31 is vastgelegd, dat de advocaat zich in woord en geschrift niet onnodig grievend dient uit te laten. Voorts geldt dat in gedragsregel 1 is bepaald dat een advocaat zich zodanig heeft te gedragen dat het vertrouwen in het beroep van de advocaat of zijn beroepsuitoefening niet wordt geschaad. Het is de algemene kapstokbepaling waaraan het optreden van een advocaat wordt getoetst. Uitlatingen van advocaten in hun beroepsuitoefening kunnen ook aan deze regel worden getoetst.

5.3 Art. 10 EVRM geeft ook advocaten vrijheid van meningsuiting. Het is hun toegestaan in het openbaar commentaar te leveren op de rechtsbedeling, maar hun kritiek mag zekere grenzen niet overschrijden. Een advocaat zal zich bij kritiek op rechters en ambtenaren tot zakelijke kritiek moeten beperken en hij mag niet het gezag van de magistratuur of de advocatuur ondermijnen. De door het EHRM in de zaken Steur (EHRM, NJ 2004, 554),  Schöpfer (EHRM, NJ 1999, 711, m.nt EJD) en Veraart (EHRM 2006, NJ 2007/368) ontwikkelde normen zijn in dit verband maatgevend. De raad citeert in dit verband paragraaf 51 van het Veraartarrest:

“The Court has had occasion to point out that although advocates too are entitled to freedom of expression, the special nature of the legal profession has a certain impact on their conduct in public, which must be discreet, honest and dignified…”

en paragraaf 29 van het Schöpferarrest:

“Regard being had to the key role of lawyers in this field, it’s legitimate to expect them to contribute to the proper administration of justice, and thus to maintain public confidence therein.”

5.4 Een advocaat mag derhalve kritisch zijn op het functioneren van rechterlijke ambtenaren, maar dient zich te onthouden van persoonlijke aanvallen. Bij de beoordeling van de reikwijdte van de uitingsvrijheid van een advocaat, maakt het voorts verschil of hij uitlatingen doet in een procedure dan wel daarbuiten en of hij met die uitlatingen het belang van zijn cliënt dient. De speciale status van advocaten geeft hen een centrale positie in de rechtsbedeling als bemiddelaars tussen het publiek en de rechterlijke macht. Het is daarom gerechtvaardigd van advocaten te verwachten dat ze bijdragen aan een juiste rechtsbedeling en aldus het vertrouwen van het publiek in een juiste rechtsbedeling handhaven.

5.5 De raad dient vervolgens in het licht van het onder 5.1 geschetste uitgangspunt, en zoals uitgewerkt in 5.2 tot en met 5.4, te onderzoeken of de uitlatingen van verweerder onbetamelijk zijn in de zin van art. 46 Advocatenwet en zo ja, of deze uitlatingen oplegging van een disciplinaire maatregel rechtvaardigen.

5.6 De raad is van oordeel dat verweerder zich met zijn uitlatingen in het interview niet heeft gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt. De in het interview geuite, op de persoon van mr. O gerichte kritiek, ontbeert een zakelijk karakter en overschrijdt de grenzen van de vrijheid van meningsuiting van een advocaat. Die vrijheid is immers niet absoluut, maar brengt, zoals ook in art. 10, tweede lid, EVRM tot uitdrukking is gebracht, plichten en verantwoordelijkheden mee. De wijze waarop verweerder zijn kritiek op mr. O heeft geuit, is niet in overeenstemming met de verantwoordelijkheid die op hem als advocaat rust met het oog op het waarborgen van het gezag van de rechterlijke macht en de advocatuur en van de waardigheid van de rechtspleging.

De raad acht die uitlatingen, speciaal ook waar het de zinsnede betreft, dat mr. O kennelijk van bovenaf was volgestopt met opdrachten namelijk onnodig grievend, omdat daarmee het vertrouwen van het publiek in een onafhankelijke rechtspraak zonder redelijke grond, althans onnodig kan worden beschadigd. Daarbij neemt de raad in aanmerking dat de uitlatingen zijn gedaan buiten de rechtszaal en dat niet is gebleken en ook niet door verweerder is aangevoerd dat deze uitlatingen in het belang van de - op dat moment geheel afgeronde - zaak van zijn cliënt waren. Evenmin heeft verweerder aangevoerd dat het met naam en toenaam noemen van de betreffende rechter in het gepubliceerde interview een ander gerechtvaardigd doel diende.

5.7 Volgens verweerder hadden zijn uitlatingen alleen betrekking op de gang van zaken en de orde tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank en heeft hij met zijn uitlatingen geenszins de onpartijdigheid of de integriteit van mr. O in twijfel willen trekken. Naar het oordeel van de raad hebben de uitlatingen van verweerder in het interview echter bij de gemiddelde krantenlezer onmiskenbaar de indruk gewekt dat de onafhankelijkheid en integriteit van mr. O ter discussie werden gesteld. De bedoeling die verweerder met zijn uitlatingen heeft gehad, zoals ter zitting uiteengezet, blijkt geenszins uit de tekst van de uitlatingen zelf. Verweerder heeft bovendien de hem geboden kans om kort na de uitlatingen die bedoelingen kenbaar te maken onbenut gelaten door niet te reageren op het herhaalde verzoek van de deken om tekst en uitleg te geven, dit ondanks zijn herhaalde toezegging om dat wel te doen.

5.8 Nu verweerder in strijd met het bepaalde in de gedragsregel 1 en 31 en de uit voornoemde arresten van het EHRM voortvloeiende normen heeft gehandeld is de raad van oordeel dat verweerder zich daarmee niet gedragen heeft zoals het een advocaat betaamt. Het dekenbezwaar is dan ook gegrond.

6.   MAATREGEL

6.1 Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat een maatregel dient te worden opgelegd. De raad acht de maatregel van enkele waarschuwing passend en geboden.

BESLISSING

De raad van discipline:

-  verklaart het bezwaar gegrond;

- legt aan verweerder op de maatregel van enkele waarschuwing.

Aldus gewezen door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mrs. H.B. de Regt, B. Roodveldt, B.J. Sol en A.M. Vogelzang, leden, bijgestaan door mr. H. Oomen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2012.

 
< Vorige   Volgende >


 maandag, 22 januari 2018





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
'Bedoeling was dat slachtoffer naar Suriname zou gaan en daar zijn dood in scene zou zetten'
Nationale Nederlanden Levensverzekeringen opgelicht, moord om uitkering

De verdachte heeft in de periode van 2 januari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam samen met een mededader het slachtoffer vermoord om een uitkering onder een levensverzekering te krijgen. Ook heeft hij een groot aantal (pogingen tot) fraude en valsheid in geschrifte gepleegd. Van enorme BTW-fraude tot fraude met kinderopvang en alles daartussen.

Een deel uit het standpunt van 41-jarige verdachte:

 'De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de dood van[slachtoffer]. Hij erkent dat hij een verzekering bij Nationale Nederland op het leven van[slachtoffer] had afgesloten en ook dat dit gedaan is om Nationale Nederlanden op te lichten.[slachtoffer] en hij hadden dit samen opgezet. De bedoeling was dat[slachtoffer] naar Suriname zou gaan, dat hij daar zijn dood in scene zou zetten en dat hij dan onder een andere naam in Suriname zou blijven wonen. De uitkering van € 500.000,00 zou worden gedeeld tussen[slachtoffer] (€ 200.000,00) en de verdachte (€ 300.000,00). Dit plan is echter nooit uitgevoerd.

De verdachte had zelf onder een andere verzekering bij Nationale Nederlanden een uitkering geclaimd en gekregen nadat[slachtoffer], [medeverdachte] en hij op 2 januari 2013 een overval op de verdachte in scene hadden gezet. De verdachte vermoedt dat dit[slachtoffer] heeft geďnspireerd, dat[slachtoffer] en [medeverdachte] in de avond van 24 februari 2013 een overval in scene hebben willen zetten en dat [medeverdachte] daarbij[slachtoffer] heeft gedood. Hijzelf had[slachtoffer] nog afgeraden om een dergelijke fraude te proberen, omdat het bij Nationale Nederlanden zou opvallen dat er kort na elkaar twee keer een vergelijkbare schade zou worden geclaimd.

Uit de strafmotivering:

 'De verdachte heeft samen met een ander[slachtoffer] om het leven gebracht.[slachtoffer] is door de verdachte en diens mededader in een machteloze positie gebracht, nadat[slachtoffer] in de waan was gebracht dat deze (slechts) zou worden mishandeld om een verzekeringsuitkering te krijgen.[slachtoffer] is vervolgens op een vreselijke manier overleden. Van het vertrouwen dat[slachtoffer] in de verdachte, een vriend, had gesteld, is door de verdachte grof misbruik gemaakt. Het behoeft geen toelichting dat dit een zeer ernstig strafbaar feit is.

LEES VERDER...
 
Rechters gaan termijnen in civiele zaken strikt handhaven

De Rechtspraak, Den Haag - De termijnen in het rolreglement voor civiele dagvaardingszaken worden vanaf 1 oktober strikt gehandhaafd door alle rechtbanken. In de praktijk blijkt dat sommige rechters soepeler zijn dan anderen, als advocaten zich bijvoorbeeld niet aan de vastgestelde termijn houden bij het indienen van een uitstelverzoek. Daardoor ontstaat rechtsongelijkheid.

De landelijke Rolrechtersvergadering heeft daarom afgesproken met ingang van komend najaar weer streng de hand te houden aan de termijnen.

LEES VERDER...
 
U I T G E L I C H T
Ooit veroordeeld als tiener door kinderrechter en nu verwijdering DNA-databank? Dat kan

Internet kan een eeuwig brandmerk zijn bij een misstap, maar een DNA-profiel in een landelijke databank voelt misschien wel net zo bezwaarlijk. Jaarlijks staan bijna 3.000 minderjarigen na hun veroordeling voor een strafbaar feit DNA-gegevens af aan justitie.

In deze zaak gaat het om een bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Uit het dossier blijkt dat de veroordeelde jongeman - 12 jaar tijdens het misdrijf - op straat een telefoon van iemand heeft gejat. Hij heeft verklaard dat hij dit had gedaan, omdat hij in de disco zijn telefoon verloren was en dit niet aan zijn moeder durfde te vertellen.

Hij is op 15-jarige leeftijd veroordeeld door de kinderrechter en nadien niet meer met justitie in aanraking gekomen. Het bewezen verklaarde delict moet worden aangemerkt als een eenmalig incident, bezien tegen de achtergrond van de levensfase waarin de veroordeelde verkeerde en met name de moeilijke periode die hij doormaakte vanwege het overlijden van onder meer zijn opa en de ziekte van zijn stiefvader.

Het recidiverisico wordt zeer klein geacht. Wel zijn er nog zorgen vanwege zijn lage IQ, waardoor de hij over weinig 'probleemoplossend vermogen beschikt om te kunnen denken hoe hij dingen anders moet aanpakken, maar er wordt aan gewerkt om hem daarin te trainen', staat in de uitspraak (i.c. beslissing).

OvJ moet celmateriaal laten vernietigen

LEES VERDER...
 
Peter van den Bossche herbenoemd als rechter bij Wereldhandelsorganisatie
Professor Peter van den Bossche is herbenoemd als rechter bij het Appellate Body van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Hiertoe besloten de 159 Lidstaten van de WTO onlangs tijdens een bijeenkomst in Genčve. Universiteit Maastricht meldt verder dat de hoogleraar (sinds 2001, op gebied van Internationaal Economisch Recht) werd benoemd voor een tweede termijn van vier jaar.
LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden