Nederlands Juridisch Dagblad NJD ß Juridisch nieuws - Afwijzing vordering wedertewerkstelling te slagvaardige kinderarts Amphia ziekenhuis

Nederlands Juridisch Dagblad NJD ß Juridisch nieuws - Afwijzing vordering wedertewerkstelling te slagvaardige kinderarts Amphia ziekenhuis

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII ß Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
ß Gebruiksvoorwaarden 
ß Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD ß RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  OriŽntatie:  Voorpagina arrow Opmerkelijk arrow Afwijzing vordering wedertewerkstelling te slagvaardige kinderarts Amphia ziekenhuis
 
Afwijzing vordering wedertewerkstelling te slagvaardige kinderarts Amphia ziekenhuis
vrijdag, 15 februari 2013

Over het verbaal en fysiek overschrijden van grenzen

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft neuroloog Evert Sanders uit Breda onlangs het bevel gegeven om zijn werkzaamheden per direct te stoppen. Maar er gebeurt wel meer in het Amphia ziekenhuis, zo blijkt uit onderstaande uitspraak. De zaak draait om een op non-actiefstelling van een kinderarts naar aanleiding van een voorval tijdens een avonddienst met een patiente. De geroutineerde kinderarts ordering vordert in kort geding wedertewerkstelling. Aan bod komt: beoordeling van de op non-actiefstelling aan toepasselijk artikel van de CAO Ziekenhuizen en het beginsel van goed werkgeverschap. Onjuist medisch handelen wordt niet aannemelijk geacht, maar het verbaal en fysiek overschrijden van grenzen wel degelijk. Is een werkbare situatie nog mogelijk en hoe kan het vertrouwen worden hersteld, bijvoorbeeld bij de verpleegkundigen? Wat had Amphia als werkgever volgens de CAO moeten doen tijdens de non-actiefstelling?

Het voorval van 28 september 2012 waarbij aanwezig eiser, een arts-assistent, twee verpleegkundigen en een leerling-verpleegkundige. Uit verklaringen van alle betrokkenen blijkt het volgende: 

 'Tijdens de avonddienst is een 14-jarige patiŽnte binnengebracht die een bepaalde hoeveelheid medicijnen had ingenomen. In overleg met [eiser], de arts-assistent en de apotheek is besloten om actieve kool en natriumsulfaat door middel van een maagsonde toe te gaan dienen. De patiŽnte schopte en sloeg echter om zich heen en heeft daarbij ook de aanwezige arts-assistent geraakt.

Toen het de arts-assistent en de aanwezige verpleegkundigen door het verzet van de patiŽnte niet lukte een maagsonde te plaatsen teneinde de ontgiftende medicijnen toe te dienen, is [eiser] erbij gekomen. Vervolgens heeft [eiser] de patiŽnte stevig bij haar armen vastgepakt en heeft hij haar met zijn bovenlichaam met kracht tegen de tafel gedrukt, waarbij hij met zijn ellebogen kracht op of onder haar ribben heeft uitgeoefend.

Daarbij heeft hij de patiŽnte boos tegengeworpen dat Ďzij de medicijnen zelf had ingenomen en zij nu ook de gevolgen diende te dragení of woorden van gelijke strekking en voorts heeft [eiser] meermalen (god)verdomme tegen haar geroepen. Nadat de sonde was ingebracht heeft [eiser] de patiŽnte nogmaals met zijn elleboog een duw in haar ribben gegeven.

Amphia stelt dat [eiser] ook Ďkutkindí heeft geroepen, maar dit wordt door [eiser] betwist en is enkel in ťťn van de vier overgelegde verklaringen vermeld, zodat de kantonrechter daarvan niet uitgaat.

3.8 Nu Amphia stelt dat de ernst van het voorval de terugkeer van [eiser] onmogelijk maakt, dient te worden vastgesteld hoe het hiervoor beschreven voorval, voorlopig oordelend, gekwalificeerd dient te worden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in het medisch handelen van [eiser] enerzijds en de bejegening van [eiser] anderzijds.

3.9 Ten aanzien van het medisch handelen van [eiser] verwijst Amphia naar een door haar overgelegde, op 18 januari 2013 opgemaakte verklaring van [Q] kinderarts/medisch manager.
De kantonrechter stelt voorop dat Amphia na het voorval het medisch handelen van [eiser] niet ter discussie heeft gesteld. Zo is in het overgelegde verslag van 11 oktober 2012 gesteld dat het medisch handelen niet in het geding is. Het medisch handelen is door Amphia ook niet ten grondslag gelegd aan de op non-actiefstelling en overigens ook niet aan het overgelegde, bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg ingediende ontbindingsverzoek.

Aldus is het vermeende onjuist medisch handelen voor Amphia geen gegronde reden geweest voor de hier te beoordelen op non-actiefstelling.

Amphia geeft ter zitting aan dat zij toch nog naar het medisch handelen van [eiser] is gaan kijken, omdat [eiser] in de kort geding dagvaarding stelt dat hij volgens het protocol heeft gehandeld. Voor zover Amphia daarmee stelt dat het medisch handelen van [eiser] zodanig was dat daarin nu een beletsel ligt voor zijn wedertewerkstelling, overweegt de kantonrechter het volgende. Verwacht mag worden, dat -in geval van een gemeld voorval tijdens een dienst in een ziekenhuis- de werkgever bij de beoordeling daarvan, naast het feitelijk handelen van de arts, ook het medisch handelen van de arts betrekt. Het feit dat Amphia niet eerder dan na ontvangst van de dagvaarding op 11 januari 2013 aanleiding heeft gezien om zich daarover te buigen, maakt reeds aannemelijk dat van een onjuist medisch handelen geen sprake is geweest.

Voor een andersluidende conclusie heeft Amphia voorts te weinig aangevoerd. Niet in geschil is dat het uitvoeren van een maagspoeling geen zin meer had, omdat het meer dan een uur geleden was dat de patiŽnte de medicijnen had ingenomen en dat in dat geval toediening van ontgiftende medicijnen (actieve kool en natriumsulfaat) geÔndiceerd is.

Ten aanzien van de wijze van toediening is een orale inname of inname door middel van een maagsonde mogelijk. [Q] geeft in zijn verklaring van 18 januari 2013 aan dat gekozen had moeten worden voor de-escalatie en het laten drinken van de medicatie in plaats van het plaatsen van een maagsonde. De kantonrechter overweegt dat uit het feit dat gekozen is voor een maagsonde, nog niet kan worden afgeleid dat [eiser] niet een juiste, daaraan voorafgaande afweging heeft gemaakt. Zo heeft [eiser] in zijn overgelegde verklaring van 12 oktober 2012 de afweging van 4 alternatieven beschreven, alvorens te kiezen voor het toch inbrengen van de sonde. Uit zijn verklaring blijkt dat hij ook een time-out heeft overwogen, maar daarvoor niet heeft gekozen vanwege het dan langer resorberen van de ingenomen medicatie in de bloedbaan. Voorts heeft [eiser] ter zitting -onbetwist- gesteld dat het oraal innemen van de onderhavige medicatie vereist dat twee grote bekers van een zwarte drab gedronken dienen te worden en dat dit voor volwassenen al lastig is en dat de ervaring leert dat dit een kind niet lukt.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat een onjuist medisch handelen van [eiser] niet aannemelijk is geworden.

3.10 Ten aanzien van de bejegening van [eiser] is tussen partijen niet in geschil dat is sprake geweest van het verbaal en fysiek overschrijden van grenzen. Dit is ontoelaatbaar. Amphia mag van haar werknemers verwachten dat zij, ook in lastige situaties, professioneel met patiŽnten omgaan, dat zij zich kunnen beheersen en fysiek en verbaal geen grenzen overschrijden. Amphia heeft het gedrag van [eiser] dan ook onprofessioneel, disproportioneel en onacceptabel kunnen noemen. Amphia gebruikt bij de beschrijving van het gedrag van [eiser] de woorden Ďslaan en stompení. Dit zijn bewoordingen die de indruk wekken dat [eiser] heeft uitgehaald naar de patiŽnte. Daarvan is blijkens de overgelegde verklaringen geen sprake geweest. Veeleer is sprake geweest van het met een overmaat aan kracht fixeren van de patiŽnte, waarbij [eiser] zijn zelfbeheersing verloor, zich uitend in het ruw behandelen van de patiŽnte en het gebruik van krachttermen.

Om een volledig beeld van het gebeuren te hebben, dienen echter ook de overige omstandigheden van het voorval bezien te worden. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat de werkdruk op dat moment hoog was: naast de drukte op de kinderafdeling met zware pathologie, was er sprake van een drukke avonddienst, waarbij [eiser]s aandacht ook vereist was voor een op dat moment ook binnengebrachte comateuze, 15-jarige patiŽnte. Daarbij reageerde de 14-jarige patiŽnte zodanig fel (waarbij in midden kan blijven of dit als acting-out of als agressie tegen personeel heeft te gelden) dat haar verzet zodanig optreden vereiste dat de noodzakelijke behandeling mogelijk werd gemaakt. Aannemelijk is dat de situatie mogelijk levensbedreigend was en daarom een voortvarende en daadkrachtige aanpak noodzakelijk was. Amphia betwist ter zitting weliswaar dat sprake was van een levensbedreigende situatie, maar [eiser] heeft daartegenover gesteld dat aan de hand van de door de moeder van de patiŽnte meegebrachte doosjes medicijnen niet zonder meer duidelijk was hoeveel medicijnen de patiŽnte precies had ingenomen, zodat op dat moment geenszins uit te sluiten was dat er sprake was van een levensbedreigende situatie en daar dan ook van uitgegaan diende te worden. Amphia heeft deze stelling niet gemotiveerd weersproken.

Vast staat derhalve dat door het -weliswaar grensoverschrijdend- handelen van [eiser] een mogelijke levensdreiging is afgewend. Hoewel niet bepalend voor de kwalificatie van de feiten -Amphia stelt dit terecht- staat verder vast dat de moeder en de patiŽnte geen klacht hebben ingediend. Ten slotte heeft [eiser] ten aanzien van de omstandigheden waaronder is gewerkt, aangehaald dat hij al eerder aandacht heeft gevraagd voor het voeren van een beleid ten aanzien van oudere werknemers ([eiser] is thans 62 jaar) en dat hij al meerdere malen heeft aangegeven burn-outachtige klachten te ervaren, hetgeen door Amphia niet is betwist.

De kantonrechter benadrukt dat voorgaande omstandigheden geenszins het grensoverschrijdend handelen van [eiser] rechtvaardigen. Dit optreden wordt niet gebagatelliseerd. Dit neemt niet weg dat voornoemde omstandigheden wel de belastende arbeidsomstandigheden vormen waaronder gewerkt diende te worden.

3.11 De vraag of in de ernst van het voorval van 28 september 2012 een gegronde reden (zoals hiervoor beschreven onder 3.5) is gelegen om [eiser] niet toe te laten tot zijn werk, hangt samen met de door Amphia benadrukte zorg en veiligheid van patiŽnten en de zorg voor een veilige werkomgeving. Deze vraag is feitelijk de vraag naar de kans op herhaling van het gedrag van [eiser].

De kantonrechter stelt voorop dat [eiser] in zijn (lange) loopbaan als kinderarts niet eerder een dergelijk handelen is verweten. Amphia verwijst weliswaar naar vijf klachten aangaande zijn houding en gedrag in de afgelopen twee jaar, maar deze zijn naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet zodanig van aard dat deze vergelijkbaar zijn of een voorbode zijn van onderhavig voorval of voldoende de vrees voor herhaling kunnen onderbouwen.

Daar komt bij dat [eiser] erkent dat hij onjuist heeft gehandeld en dat hij grenzen heeft overschreden, hetgeen bij de beoordeling van de kans op herhaling uitermate relevant is.

Dit blijkt ook uit de door hem op 1 november 2012 aan de vier betrokken collegaís gestuurde excuusbrieven. Dat hij zich de gebeurtenissen heeft aangetrokken, blijkt voorts uit de verklaring van een van de verpleegkundigen. Hierin is vermeld dat [eiser] haar twee dagen later zelf heeft aangesproken op de gebeurtenissen van 28 september en hij daarbij toegaf dat hij wel erg tekeer was gegaan en dat hij het zou meenemen. Uit het enkele feit dat [eiser], zoals Amphia aanvoert, het voorval in de twee weken daarna (voor zijn uitval door ziekte op 11 oktober 2012) niet bij andere betrokken collegaís of anderen ter sprake heeft gebracht, is onvoldoende om te concluderen dat [eiser] zich het voorval niet aantrok. Verder heeft [eiser] zelf professionele hulp van een psycholoog gezocht om te voorkomen dat een dergelijk voorval zich opnieuw zou kunnen voordoen. De stelling van Amphia dat een arts die psychologische begeleiding krijgt niet tot het werk kan worden toegelaten, is te kort door de bocht. Daarbij is ook van belang dat de bedrijfsarts [eiser] ondertussen weer in staat heeft geacht om zijn werkzaamheden uit te oefenen.

Voorlopig oordelend is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de stellingen van Amphia aangaande de zorg en veiligheid van patiŽnten en de zorg voor een veilige werkomgeving geen gegronde reden voor de op non-actiefstelling van [eiser] inhouden. Dit geldt te meer nu, zoals hiervoor onder 3.9 overwogen, het medisch handelen van [eiser] niet ter discussie staat.

3.12 Vervolgens dient beoordeeld te worden of de impact van het voorval in de organisatie en het geschonden vertrouwen zodanig is, dat dit een gegronde reden oplevert om de non-actiefstelling van [eiser] te laten voortduren.

Amphia stelt dat de impact van het handelen van [eiser] in de organisatie groot is en dat het vertrouwen in [eiser] weg is. Het voorval heeft er volgens Amphia toe geleid dat de betrokken arts-assistent elders is gaan werken, terwijl de verpleegkundigen hebben aangegeven angstig te zijn en niet meer te willen werken met [eiser]. Ten aanzien van het weggevallen vertrouwen stelt Amphia dat dit breed gedragen wordt: de betrokken verpleegkundigen en de arts-assistent, het bestuur en de medisch manager van de vakgroep Kindergeneeskunde en de voorzitter van de medische staf en de Raad van Bestuur hebben het vertrouwen in [eiser] opgezegd. Terugkeer is volgens Amphia daarom niet mogelijk.

Amphia voegt daaraan toe dat [eiser] ook zelf het vertrouwen in het vakgroepbestuur heeft opgezegd, maar dit is door [eiser] gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter daarvan niet uitgaat.

[eiser] weerspreekt niet dat sprake is van een gebrek aan vertrouwen, maar stelt dat dit komt omdat Amphia het voorval -waarvoor officieel een waarschuwing is gegeven- steeds zwaarder heeft gekwalificeerd en omdat Amphia ten onrechte toepasselijke reglementen, waaronder het reglement van de vakgroep Kindergeneeskunde, niet heeft gevolgd. Volgens [eiser] kon naleving van die reglementen de situatie op een positieve manier hebben opgelost.

De kantonrechter overweegt dat de vraag of de vertrouwensbreuk (alleen) is terug te voeren op het voorval van 28 september of (mede) op de wijze waarop Amphia hiermee is omgegaan en of Amphia daarbij de toepasselijke reglementen heeft gevolgd, strikt genomen niet in dit kort geding voorligt. Echter, gegeven het in de afweging te betrekken belang van [eiser] bij wedertewerkstelling dient wel bezien te worden in hoeverre de vertrouwensbreuk (op korte termijn) herstelbaar is.

Herstel van vertrouwen vereist een (tijdige) aanpak van de vertrouwensbreuk door het direct of indirect (met behulp van derden) bespreekbaar maken van de ervaren emoties met als insteek het normaliseren van verhoudingen en het verkrijgen van een werkbare situatie. Gesteld noch gebleken is dat Amphia hiertoe een poging heeft ondernomen. Dat de ernst van het voorval haar ontslaat van die taak, is een stelling waarin de kantonrechter Amphia, als zijnde werkgever van [eiser] en werkgever van de overig betrokken collegaís, niet kan volgen. De ontstane situatie vindt haar oorzaak in het grensoverschrijdende gedrag van [eiser], maar voorlopig oordelend ziet de kantonrechter in het kanaliseren van de impact ook een taak voor Amphia als werkgever.

Naast de ernst van het voorval dient Amphia ook de overige, hiervoor onder 3.10 aangegeven (arbeids)omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen, terwijl Amphia volgens het eerder aangehaalde artikel 3.1.5. van de CAO ook tijdens de periode van op non-actiefstelling dient te bevorderen dat een werknemer zijn werk kan hervatten. De stelling van Amphia dat de betrokken collegaís niet toe waren aan contact met [eiser], is niet te rijmen met het feit dat een van de verpleegkundigen zelf al kort gesproken heeft met [eiser] over het voorval en een andere verpleegkundige in haar verklaring van 11 oktober 2012 aangeeft dat zij hoopt dat een gesprek helderheid en opluchting zal geven. Daarbij geldt dat een contact ook eventueel indirect, met inschakeling van derden had kunnen plaatsvinden.

Het spreekt voor zich dat de impact van een voorval, zonder gerichte aanpak, groter wordt en dat het aldus na langere tijd moeilijker wordt om tot een weer werkbare situatie te komen. Het is dan ook begrijpelijk dat het vertrouwen van de drie betrokken verpleegkundigen in [eiser] -volgens het overgelegde verslag van [Y], bedrijfsmanager kindergeneeskunde van 17 januari 2013- niet is toegenomen. Feit is dat het gebrek aan vertrouwen in [eiser] op dit moment breed verspreid is in de organisatie. [eiser] heeft dit niet weersproken. Hij geeft ook zelf aan dat er eerst nog gesprekken dienen plaats te vinden voordat daadwerkelijk wedertewerkstelling mogelijk zou zijn.

Het voorgaande brengt mee dat een werkbare situatie op dit moment niet mogelijk is en daarmee de vordering tot wedertewerkstelling niet kan worden toegewezen. Ook niet onder bepaling van een bepaalde termijn, omdat niet ingeschat kan worden of, en zo ja, op welke termijn vorderingen in het herstel van vertrouwen kunnen worden gemaakt.

3.13 Op grond van het voorgaande zal de vordering van [eiser] worden afgewezen.'

LJN: BZ1013, Sector kanton Rechtbank Breda, 756319 vv 13-4
 
< Vorige   Volgende >


 zaterdag, 18 november 2017





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Spelend met ontbloot geslachtsdeel in een auto rondrijden bestraft met taakstraf
Verdachte heeft meermalen met ontbloot geslachtsdeel in een auto rondgereden, waarbij hij bij zichzelf seksuele handelingen heeft verricht. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 140 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
LEES VERDER...
 
Wim DaniŽls bij rechtbank Oost-Brabant: ĎAls je er maar een komma achter zetí

De Rechtspraak, Den Haag -  Zet taalexpert Wim DaniŽls met zeventig juristen in een zaal en je hebt een boeiende cocktail. Dat bleek maandag 13 mei bij de eerste editie van BuitensteBinnen, een initiatief van rechtbank Oost-Brabant om regelmatig experts van buiten uit te nodigen.

DaniŽls besprak humoristisch en deskundig het taalgebruik in een aantal vonnissen. Dat leverde herkenbare voorbeelden op. Een oplossing is volgens de taaldokter binnen handbereik: ďAls u met zín allen in dit pand afspraken maakt over taalgebruik, is het nķ veranderd.Ē

LEES VERDER...
 
Arnoldus voorgedragen als lid Raad voor de rechtspraak
Peter Arnoldus is voorgedragen als lid Raad voor de rechtspraak, zo maakte het gelijknamige instituut vrijdag bekend. De Raad behartigt de belangen van de gerechten bij de politiek en het (lands)bestuur, vooral bij de minister van Veiligheid en Justitie. Arnoldus is op dit moment directeur financieel-economische zaken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij zal zich voor de Raad onder meer bezighouden met financiŽn en huisvesting.
LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden