Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - 8 jaar cel in zaak staatgeheimen Nederland aan Russische inlichtingendienst SVR en corruptie

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - 8 jaar cel in zaak staatgeheimen Nederland aan Russische inlichtingendienst SVR en corruptie

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  Voorpagina arrow Hoofdpunten arrow 8 jaar cel in zaak staatgeheimen Nederland aan Russische inlichtingendienst SVR en corruptie
 
8 jaar cel in zaak staatgeheimen Nederland aan Russische inlichtingendienst SVR en corruptie
woensdag, 16 juli 2014

Adviseur visumprocessen zat in geldnood, vrouw was depressief en zoonlief moest studeren in Utrecht

Veroordeling wegens verstrekking van gerubriceerde informatie aan de Russische inlichtingendienst SVR. Het ging om berichten uit het berichtenverkeer van het Ministerie van Buitenlandse Zaken medio 2011 met als onderwerp NAVO, veiligheid, vredesoperaties, NAS.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte documenten bevattende staatsgeheime informatie heeft verstrekt, maar wel dat hij handelingen ter voorbereiding daarvan heeft gepleegd.

Ter zake van dit feit, alsmede ter zake van ambtelijke corruptie en wapenbezit, veroordeelt het gerechtshof de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Centrale overwegingen van het hof, waarbij gelijk aanleiding en achtergronden worden belicht:

 '6.3.1

Inleiding

Op 21 februari 2012 ontving het Nederlands openbaar ministerie vanuit Duitsland een rechtshulpverzoek van de Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof d.d. 7 februari 2012. Uit (de Nederlandse vertaling van) dit verzoek blijkt dat op 18 oktober 2011 in Duitsland twee verdachten met de aliassen [agent 1] en [agent 2] zijn aangehouden wegens verdenking van het verrichten van spionageactiviteiten voor een Russische inlichtingendienst.

Als voorlopig resultaat kon worden vastgesteld dat zowel de verdachte alias [agent 1] – die onder de codenaam “[codenaam 1]” werkte – als de verdachte alias [agent 2] – die onder de codenaam “[codenaam 2]” werkte - de opdracht had om informatie met betrekking tot politieke, militaire en economische doelen te vergaren en deze informatie aan de inlichtingendienst door te spelen. Naast het verzamelen van informatie lag een verder zwaartepunt van de operationele activiteiten van “[codenaam 1]” in het runnen van een andere agent, waarbij hij als instructeur optrad.

Inmiddels is de identiteit van de [Duitse agenten] vastgesteld. Het gaat – blijkens de vanwege de ambassade van Rusland in Berlijn afgegeven kopieën van twee Russische paspoorten – om [agent 1] en [agent 2]. In het vervolg van het arrest zal het hof deze benamingen (weer te geven als: [Duitse agenten]) gebruiken om de in de Duitsland aangehouden personen aan te duiden.

Onder de [Duitse agenten] zijn meerdere digitale gegevensdragers in beslag genomen. In het elektronisch geheugen van een laptop werden meerdere documenten van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: BZ) aangetroffen. Daarnaast werden in de zogenaamde unallocated space van de gegevensdragers verschillende tekstfragmenten aangetroffen, waarin het – ongedateerde – berichtenverkeer tussen de [Duitse agenten] en “de Centrale” wordt weergegeven.

Uit deze tekstfragmenten kan onder meer worden afgeleid dat de agent die door “[codenaam 1]” wordt gerund, wordt aangeduid als “BR”. In het Duitse strafrechtelijk onderzoek was het vermoeden gerezen dat “BR” een medewerker van BZ zou kunnen zijn. Aan het Nederlandse openbaar ministerie werd door Duitsland onder meer verzocht te helpen bij de identificatie van de agent genaamd “BR”.

Uit het verkregen ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, d.d. 15 februari 2012, bleek dat deze dienst uit hoofde van zijn wettelijke taakuitvoering beschikte over de navolgende informatie:

““BR” betreft hoogstwaarschijnlijk de navolgende persoon:

[naam verdachte], geboren [geboortedatum verdachte] 1951 te [geboorteplaats verdachte], blijkens de GBA ingeschreven op [adres]. Betrokkene is werkzaam op het ministerie van Buitenlandse Zaken te ’s-Gravenhage.”

Op basis van deze informatie, alsmede de informatie uit het Duitse rechtshulpverzoek, is op 24 maart 2012 [verdachte] (hierna: de verdachte), aangehouden op Schiphol.

Ter beoordeling van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten dienen allereerst de volgende vragen te worden beantwoord:

    -

    Zijn de agent “BR” en de verdachte één en dezelfde persoon, die zaken deed met de [Duitse agenten]?
    -

    Werkten de [Duitse agenten] voor de “Sluzhba Vneshney Razvedki” (hierna: SVR), de inlichtingendienst van de Russische Federatie?

6.3.2

Zijn de agent “BR” en de verdachte één en dezelfde persoon, die zaken deed met de [Duitse agenten]?

6.3.2.1 Aanwijzingen dat “BR” en de verdachte één en dezelfde persoon zijn

Zoals gezegd zijn onder de [Duitse agenten] meerdere van BZ afkomstige documenten aangetroffen. Uit het berichtenverkeer tussen de [Duitse agenten] en “de Centrale” blijkt dat ene “BR” de leverancier is geweest van (een deel van) die documenten.

In Nederland is onderzoek ingesteld naar de images van de onder de [Duitse agenten] in beslag genomen digitale gegevensdragers. Daarbij is een document gevonden dat is ingedeeld in zogenaamde ‘records’. In record nummer 9 staan onder de letters “BR” de personalia van de verdachte vermeld, alsmede een mobiel telefoonnummer dat bij de verdachte in gebruik is geweest:

“BR:

[naam verdachte], [geboortedatum verdachte].1951

Mobile: [telefoonnummer]”.

Daarnaast stelt het hof vast dat er tussen de agent “BR” en de verdachte een groot aantal andere overeenkomsten zijn.

Uit het berichtenverkeer tussen de [Duitse agenten] en “de Centrale” valt bijvoorbeeld af te leiden dat “BR” werkzaam was bij een organisatie waarin vertrouwelijke documenten een rol spelen. “BR” was daar werkzaam op het gebied van visumverstrekking en op 21 oktober stond voor hem een dienstreis gepland naar Moskou en Sint Petersburg.

Uit het berichtenverkeer blijkt dat “BR” ook daadwerkelijk in Moskou en Sint Petersburg is geweest. “BR” had zeven collega’s. Deze worden bij naam genoemd. Per maand ontving hij ongeveer € 2.500,00 netto. Zijn zoon zou gaan studeren aan de Universiteit van Utrecht. Zijn vrouw leed aan een psychische ziekte.

Uit het dossier blijkt dat al deze omstandigheden eveneens van toepassing zijn op de verdachte. Sinds 2008 werkte de verdachte bij het ministerie van Buitenlandse Zaken voor de sectie UKV (Unit Kwaliteitsverbetering van het Visumproces). Deze sectie vormt een onderdeel van de afdeling Vreemdeling- en Visumzaken. Bij deze sectie werkten acht medewerkers. De verdachte was daar één van.

Hij hield zich bezig met het advies omtrent visumprocessen. De namen van de overige zeven medewerkers komen overeen met de namen van de zeven collega’s van “BR” die worden genoemd in het berichtenverkeer tussen de [Duitse agenten] en “de Centrale”. In één van de laatste weken van oktober 2009 is de verdachte samen met een collega op missie geweest.

Zij hebben toen de ambassade in Moskou en het consulaat-generaal in Sint Petersburg bezocht. Via het BZ-berichtenverkeer kon de verdachte vertrouwelijke informatie inzien. De hoogste gerubriceerde informatie waarover hij kon beschikken was “Departementaal vertrouwelijk”.

Op de afschriften van de bankrekening van de verdachte is te zien dat zijn salaris in de ten laste gelegde periode circa € 2.500,00 netto per maand bedroeg. De verdachte heeft verklaard dat zijn zoon in september 2011 aan de Universiteit van Utrecht is gaan studeren. De vrouw van de verdachte is depressief geweest en heeft een medische behandeling ondergaan.

Uit het berichtenverkeer tussen de [Duitse agenten] en “de Centrale” blijkt voorts dat “BR” ernstige financiële problemen had. Zo kon hij zijn schuldaflossing aan de bank niet betalen. Het ging om een bedrag van € 33.000,00.

Ook de verdachte kampte met schulden. Op 4 december 2008 is hij op verzoek van de ING-bank door een incassobureau aangeschreven om binnen twee dagen een restschuld van € 33.112,85 te voldoen.

Verder blijkt uit het berichtenverkeer dat “de Centrale” de [Duitse agenten] de instructie heeft gegeven om “BR” samenvattingen te laten schrijven. Een aantal (gerubriceerde) documenten, dat is aangetroffen in de woning en op de werkplek van de verdachte, is voorzien van een handgeschreven samenvatting in de Engelse taal. Dit handschrift is volgens W. de Jong (gerechtelijk deskundige voor handschriftonderzoek) met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vervaardigd door de verdachte.

Een groot deel van de bij de [Duitse agenten] aangetroffen BZ-documenten is via het account van de verdachte bevraagd in het computersysteem van BZ.

De raadsman heeft onder punt 55 e.v. alsmede onder punt 117 van zijn aantekeningen bepleit dat de registratie van bevraagde documenten in het computersysteem van BZ via het account van de verdachte niet voor het bewijs mag worden gebruikt, nu niet is onderzocht of de logingegevens van de verdachte door een derde kunnen zijn misbruikt. Dit verweer mist feitelijke grondslag.

Een dergelijk onderzoek is namelijk wel verricht. Uit dat onderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat sprake is geweest van misbruik. Dat de raadsman dit onderzoek niet toereikend vindt doet daar niet aan af. Het hof zal de bevragingen via het account van de verdachte dan ook gebruiken voor het bewijs.

Voorts blijkt dat van één van de bij de verdachte tijdens zijn aanhouding aangetroffen USB-sticks, te weten de USB-stick met IBN-code D.02.02, digitale sporen zijn aangetroffen in (één-op-één-kopieën van) twee harde schijven die onder de [Duitse agenten] in beslag zijn genomen.

Het sporenbeeld is waarschijnlijker wanneer de hypothese dat genoemde USB-stick wel aangesloten is geweest op de harde schijven juist is, dan wanneer zulks niet het geval zou zijn geweest, aldus het NFI.

De raadsman heeft onder de punten 48 en 115 van zijn aantekeningen bepleit dat (de verklaringen betreffende) de onder de verdachte in beslag genomen USB-sticks dienen te worden uitgesloten van het bewijs, aangezien hieromtrent veel onduidelijkheid bestaat. Het hof verwerpt dit verweer.

De onduidelijkheid die aanvankelijk bestond omtrent de in beslag genomen USB-sticks is naar het oordeel van het hof voldoende weggenomen middels het aanvullende proces-verbaal van de Rijksrecherche. Het hof zal de bij de aanhouding van verdachte aangetroffen USB-sticks (en de daarop opgeslagen documenten) dan ook gebruiken voor het bewijs.

6.3.2.2 Zijn “BBR” en “BR” dezelfde persoon?

De raadsman van de verdachte heeft zich – in de punten 267 tot en met 269 van zijn pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat het hierboven weergegeven tekstfragment, aangeduid als record nummer 9, een door het openbaar ministerie bewerkte versie betreft, die afwijkt van het origineel.

In het volgens de raadsman originele tekstfragment, dat is aangetroffen in één van de onder de [Duitse agenten] in beslag genomen digitale gegevensdragers, worden de personalia van de verdachte gekoppeld aan de letters “BBR”, niet aan de letters “BR”. De raadsman stelt dat er geen bewijs is voor de stelling dat “BBR” en de in het berichtenverkeer tussen de [Duitse agenten] en “de Centrale” genoemde “BR” dezelfde persoon zijn.

Het hof heeft vastgesteld dat het bedoelde tekstfragment meerdere malen in het dossier voorkomt. Op de pagina’s 6883 en 7785 van Zaaksdossier 1 staan voorafgaand aan de personalia van de verdachte de letters “BBR” vermeld. Op pagina 5868 van Zaakdossier 1 zijn dat de letters “BR” (dit betreft het hierboven weergegeven tekstfragment, aangeduid als record nummer 9).

Voor het overige is de inhoud van de fragmenten op genoemde pagina’s volledig identiek. Gelet hierop, alsmede gelet op de genoemde vele overeenkomsten tussen de in het berichtenverkeer genoemde persoon “BR” en de verdachte, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat het bij “BBR” en “BR” om dezelfde persoon gaat.

6.3.2.3 Conclusie

Op basis van bovenomschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof – mede in het licht van de omstandigheid dat de verdachte hieromtrent niet heeft willen verklaren – wettig en overtuigend bewezen dat de agent “BR” en de verdachte één en dezelfde persoon zijn, die zaken deed met de [Duitse agenten].'

ECLI:NL:GHARL:2014:5693 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 15-07-2014 Tbv leesbaarheid zijn alinea's van 's hofs beoordeling hierboven opgeslitst.

 
< Vorige   Volgende >


 dinsdag, 12 december 2017





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Praktische ontwerpfouten ergenis in aanloop opening peperduur Paleis van Justitie Amsterdam

Nu maar hopen dat de koning overmorgen niet tegen die marmeren bank aanloopt

Het ontwerp van het nieuwe Paleis van Justitie aan het IJDock in Amsterdam is meer vorm dan functioneel. Stadszender AT5 bericht dat er zelfs een werkgroep in het leven is geroepen om het onlangs opgeleverde pand tegen het licht te houden.

De woordvoerder van het Paleis geeft op camera met schaamtevolle blik en verlegen lach toe dat een praktische aantal zaken over het hoofd is gezien.

LEES VERDER...
 
Rechters gaan termijnen in civiele zaken strikt handhaven

De Rechtspraak, Den Haag - De termijnen in het rolreglement voor civiele dagvaardingszaken worden vanaf 1 oktober strikt gehandhaafd door alle rechtbanken. In de praktijk blijkt dat sommige rechters soepeler zijn dan anderen, als advocaten zich bijvoorbeeld niet aan de vastgestelde termijn houden bij het indienen van een uitstelverzoek. Daardoor ontstaat rechtsongelijkheid.

De landelijke Rolrechtersvergadering heeft daarom afgesproken met ingang van komend najaar weer streng de hand te houden aan de termijnen.

LEES VERDER...
 
U I T G E L I C H T
Vanmiddag debat over mensenrechten en internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen
Vanmiddag te zien en horen: hoe staat het met de naleving van mensenrechten door het Nederlands bedrijfsleven? En hoe bevordert de overheid het respecteren ervan? Daarover vergadert de Tweede Kamer vandaag van 14.00 tot 16.30 uur.
LEES VERDER...
 
Hans Schenk voorzitter commissie herziening SER-Fusiegedragsregels
Hoogleraar Hans Schenk van Utrecht University School of Economics gaat als kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER) de commissie over de herziening van de SER-Fusiegedragsregels voorzitten. Dit laat de Universiteit Utrecht weten. Deze gedragsregels zijn in 2001 in werking getreden en beschermen de belangen van werknemers bij voorgenomen fusies tussen ondernemingen. Sindsdien zijn er verschillende knelpunten gesignaleerd bij de toepassing en reikwijdte van de SER Fusiegedragsregels.
LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden