Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Aandelenlease-zaak: Turk met beperkte opleiding dient 20% schade SprintPlan van Aegon zelf te dragen

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Aandelenlease-zaak: Turk met beperkte opleiding dient 20% schade SprintPlan van Aegon zelf te dragen

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  Voorpagina arrow Hoofdpunten arrow Aandelenlease-zaak: Turk met beperkte opleiding dient 20% schade SprintPlan van Aegon zelf te dragen
 
Aandelenlease-zaak: Turk met beperkte opleiding dient 20% schade SprintPlan van Aegon zelf te dragen
donderdag, 6 september 2007

Aegon had moeten weten dat financiële last SprintPlan onevenredig zwaar was ten opzichte van het gezinsinkomen

SprintPlan-verhaal wordt bekend verondersteld. Ook in deze zaak komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens gedupeerde heeft geschonden.

Centraal staat de vaststelling van de mate van eigen schuld, hier zeer beperkt aangenomen. De IBM-medewerker van Turkse afkomst en vanaf 1976 in Nederland werkzaam, was op het moment van afsluiten van het SprintPlan werkloos en genoot een WW-uitkering, zijn vrouw werkte niet.

Over schending zorgplicht oordeelt mr. A.P.A. Bisscheroux van rechtbank Utrecht als volgt:

'5.1.  De rechtbank begrijpt – en de advocaat van [eiser] heeft dit desgevraagd ter comparitie bevestigd - dat [eiser] zijn vordering primair baseert op de stelling dat Spaarbeleg haar precontractuele zorgplicht ten opzichte van hem heeft geschonden, hetgeen kwalificeert als onrechtmatige daad, dat hij hierdoor schade heeft geleden en dat Spaarbeleg gehouden is deze schade te vergoeden. Ten aanzien van deze primaire vordering wordt als volgt overwogen.

5.2.  Deze rechtbank heeft reeds in diverse uitspraken (onder meer 22 december 2004, NJF 2005/60; 4 januari 2006, NJF 2006/152; 24 januari 2007, LJN AZ7231) geoordeeld dat op Spaarbeleg een bijzondere zorgplicht rust, waarvan de omvang wordt bepaald door de resultante van twee verplichtingen, te weten het verstrekken van informatie aan en het inwinnen van informatie bij de potentiële deelnemer, en tevens dat Spaarbeleg aan de op haar, in het kader van deze zorgplicht, rustende verplichtingen niet heeft voldaan.

Zo heeft Spaarbeleg onvoldoende gewezen op het risico dat de opbrengst van het SprintPlan lager dan het totaal van de door deelnemer betaalde maandtermijnen, en zelfs nihil kon zijn. Spaarbeleg had, zeker nu zij ervoor heeft gekozen om het SprintPlan aan te bieden aan een breed, niet gesegmenteerd publiek, dienen te verifiëren of de deelnemer uit het door Spaarbeleg verstrekte informatiemateriaal het bestaan van dit risico had begrepen en of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van deze individuele deelnemer.

5.3.  Ook in het onderhavige geval komt de rechtbank tot het oordeel dat Spaarbeleg haar zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden. Zoals reeds in eerdere vonnissen is geoordeeld, diende de potentiële deelnemer de informatie uit de verschillende toegezonden bescheiden te combineren en enkele denkstappen te maken om de risico’s geheel te kunnen doorgronden.

Spaarbeleg heeft niet bij [eiser] geverifieerd of hij al die denkstappen had gemaakt om het SprintPlan-product op haar merites te kunnen beoordelen en om te beoordelen of het SprintPlan wel beantwoordde aan de beleggingsdoelstelling van [eiser]. Hetgeen Spaarbeleg hierover verder heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Causaal verband

5.4.   De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Spaarbeleg dat het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht en de door [eiser] gestelde schade ontbreekt. [Eiser] heeft ter comparitie aangevoerd dat zijn doel met het SprintPlan was het opbouwen van een vermogen en dat de tussenpersoon, die hem het SprintPlan heeft aangeboden, hem had gegarandeerd dat hij na 5 jaar de garantiewaarde van Fl. 37.500,- uitgekeerd zou krijgen.

Hij heeft tevens aangevoerd dat hij nooit aan het SprintPlan begonnen zou zijn als hem duidelijk was geweest dat er aan het SprintPlan risico’s verbonden waren. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] met deze verklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het SprintPlan niet zou hebben afgesloten als Spaarbeleg aan haar zorgplicht had voldaan.

Schade

5.5.  De stelling van Spaarbeleg dat het verlies van de maandelijks verrichte betalingen (zijnde de rente over de lening) niet als schade kan worden aangemerkt, is door de rechtbank in voorgaande vonnissen (waaronder 24 januari 2007, LJN AZ7231) steeds verworpen, omdat aannemelijk is dat de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen als Spaarbeleg zich van haar zorgplicht had gekweten.

De rechtbank gaat aan die stelling ook nu voorbij. In het onderhavige geval heeft het SprintPlan wel in een uitkering geresulteerd. Dit bedrag wordt bij de vaststelling van de hoogte van de schade in mindering gebracht op de door [Eiser] betaalde maandtermijnen. De schade bedraagt mitsdien (EUR 6.807,00 -/- EUR 1.320,74 =) EUR 5.486,26.

Eigen schuld

5.6.  In voorgaande vonnissen betreffende het SprintPlan heeft de rechtbank een beroep van Spaarbeleg op eigen schuld bij de deelnemer al verscheidene keren gehonoreerd (onder meer 18 oktober 2006, LJN AZ0660; 29 november 2006, LJN AZ3654).

De rechtbank heeft bij deze beslissingen steeds van belang geacht dat de deelnemer er bij oplettende bestudering van het informatiemateriaal niet zonder meer ervan uit had mogen gaan dat het SprintPlan als een spaarproduct kon worden gezien en dat hij/zij, bij twijfel, zich nader had dienen te informeren.

5.7.  De eigen schuld die de deelnemer heeft aan het ontstaan van zijn of haar schade door geen nader onderzoek naar het product SprintPlan in te stellen alvorens de overeenkomst te sluiten, wordt door de rechtbank afgezet tegen de zorgplicht die op Spaarbeleg rustte.

Bij die beoordeling wordt vooropgesteld dat een financiële instelling als Spaarbeleg zich behoort te realiseren dat producten als de onderhavige - die breed in de markt zijn gezet om ook de onervaren beleggers te bewegen tot het beleggen in uiterst koersgevoelige producten - beleggers aantrekt die zich van de risico’s van beleggen onvoldoende bewust zijn en/of het zich, gezien hun vermogens- en /of inkomenspositie in relatie tot hun uitgavenpatroon, niet kunnen veroorloven in dergelijke risicovolle producten te beleggen en dat Spaarbeleg hiermee bij het sluiten van de overeenkomst rekening dient te houden.

5.8.  Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de schade die een deelnemer als gevolg van een schending van de zorgplicht heeft geleden, voor een groter deel voor rekening dient te komen van Spaarbeleg dan voor rekening van de deelnemer.

Concreet betekent dit dat in beginsel 60% van de schade voor rekening van Spaarbeleg blijft. Bij het vaststellen van dit uitgangspunt heeft de rechtbank (samenvattend) rekening gehouden met het feit dat het SprintPlan, anders dan de meeste andere aandelenlease-producten, een voorziening behelst ter voorkoming van een restschuld, en daarom een lager risico kent, maar ook dat de informatie over de inhoud van het SprintPlan en de daaraan verbonden risico’s (door de versnipperde wijze van aanbieden hiervan) moeilijker te doorgronden is dan bij de meeste andere aandelenlease-producten het geval is.

5.9.  Voor de vaststelling van de mate van eigen schuld per concreet geval zijn daarnaast de specifieke omstandigheden van dat geval van belang, zoals:

-  de omvang van de risico’s die de deelnemer heeft genomen;
-  de leeftijd van de deelnemer bij het sluiten van de overeenkomst;
-  de vermogens- en inkomenspositie van de deelnemer;
-  de opleiding en/of (beleggings)ervaring van de deelnemer;
-  de informatie die de deelnemer in het concrete geval over het SprintPlan heeft ontvangen;
-  de rol van een eventuele tussenpersoon.

Deze omstandigheden zullen door de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en voor zover door partijen belicht, in ieder concreet geval worden gewogen.

5.10.  Ten aanzien van [eiser] zijn de volgende omstandigheden gesteld. Hij is geboren op 3 december 1959 en was ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan dus 41 jaar oud. Hij is in 1976 vanuit Turkije naar Nederland geëmigreerd en heeft hier 22 jaar gewerkt bij IBM als opzichter/magazijnmedewerker.

In Turkije heeft hij een lagere school opleiding voltooid, in Nederland heeft hij geen opleidingen meer gevolgd. Ten tijde van het afsluiten van het SprintPlan was hij werkloos en kreeg hij een WW-uitkering. Zijn echtgenote kreeg, behalve de heffingskorting, geen inkomen of uitkering.

Hun twee kinderen, van thans 25 en 22 jaar oud woonden nog thuis en hadden evenmin een inkomen. Zij bewoonden een huurwoning van EUR 400,- per maand. [Eiser] heeft gesteld dat hij bij het aangaan van het SprintPlan is afgegaan op de mededelingen van de tussenpersoon en dat hij de Brochure en Voorwaarden betreffende het SprintPlan niet heeft bestudeerd.

5.11.  De rechtbank ziet in de bovenstaande omstandigheden - zoals die bestonden ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst - aanleiding om ten gunste van [eiser] af te wijken van haar hiervoor onder rechtsoverweging 5.8. weergegeven uitgangspunt voor de schadeverdeling.

De rechtbank acht hierbij doorslaggevend dat de financiële last die [eiser] op zich heeft genomen met het aangaan van het SprintPlan onevenredig zwaar was ten opzichte van het gezinsinkomen, dat Spaarbeleg dit, indien zij aan haar zorgplicht had voldaan, had moeten inzien en hem deelname aan het SprintPlan had moeten ontraden.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding de gehele schade voor rekening van Spaarbeleg te brengen, nu blijft staan dat ook op [eiser] de verantwoordelijkheid rust om bij het aangaan van een dergelijke financiële verplichting ook zelf af te wegen of hij bereid en staat was aan deze verplichting te voldoen en om zich te informeren over de risico’s die aan dit financiële product verbonden waren.

Dit laatste in ieder geval door het lezen van de hierover verstrekte informatie, hetgeen [eiser] niet heeft gedaan. De rechtbank acht een verdeling van de schade, waarbij 20% voor rekening van [eiser] blijft gegeven bovenstaande omstandigheden, redelijk. De rechtbank zal dan ook een bedrag toewijzen van EUR 4.389,00.'

LJN: BB2637, Rechtbank Utrecht, 224890/ HA ZA 07-176
 
< Vorige   Volgende >


 zondag, 25 februari 2018





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Afwijzing aanvraag om wel heel bijzondere bijstand: kroegbezoek chronisch psychiatrisch patiënt

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Appellante (de aanvrager) lijdt meer dan twintig jaar aan een schizoaffectieve stoornis. Zij heeft vele psychiatrische behandelingen ondergaan en jarenlang een dagactiviteitencentrum bezocht. Op 11 mei 2004 heeft appellante een aanvraag gedaan om bijzondere bijstand voor consumptiekosten in haar stamcafé Marktzicht te Utrecht (café). 

De vrouw heeft toegelicht dat zij een chronisch psychiatrisch patiënt is en dat zij niet alleen thuis kan zijn. Zij brengt haar dagen door in het café om onder de mensen te zijn.

Bij besluit van 15 juni 2004 heeft de gemeente deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 16 augustus 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het (latere) besluit ongegrond verklaard. Jaren later (2010) heeft de vrouw het nog een keer geprobeerd, maar de gemeente wees het weer af. Uiteindelijk belandde de zaak bij de hoogste bestuursrechter, de Centrale Raad van Beroep.

Waarom naar de kroeg?

De vrouw vindt dat zij de kosten tot een bedrag van € 300,- per maand niet meer uit haar vermogen kan bestrijden en wijst op een verklaring van haar psychiater. Daarin staat dat de vrouw niet in aanmerking komt voor reguliere dagopvang, omdat zij niet meer bestand is tegen de confrontatie met chronisch psychiatrische patiënten.

In de loop van de jaren heeft zij veel vrienden die zij via de psychiatrie heeft leren kennen, verloren onder andere door zelfdoding. Het café is een laagdrempelige manier om een sociaal netwerk op te bouwen buiten de psychiatrie. Appellante gebruikt sporadisch alcohol.

Uitspraak Centrale Raad

LEES VERDER...
 
Hof: wrakingsverzoek gegrond, raadsheer eerst gedelegeerd rc, later in rol voorzitter strafkamer
Verzoeker is ontvankelijk in zijn (tweede) wrakingsverzoek, nu sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waarop het verzoek is gegrond. Het wrakingsverzoek komt er in de kern op neer dat de raadsheer niet heeft ingegrepen nadat zij ervan op de hoogte was gesteld dat (reeds) één van de getuigen in strijd met de beslissing van het hof en buiten aanwezigheid van de verdediging was gehoord door de politie en dat enige dagen nadien een andere getuige door de politie zou worden gehoord.
LEES VERDER...
 
U I T G E L I C H T
Hoe zit het ook alweer met aftrekbaarheid kosten werkkamer, een voorbeeld uit de praktijk
Eiser is zelfstandige zonder personeel en woont in een huurhuis waarin hij een werkkamer heeft. In geschil is of eiser de kosten van de werkkamer in aftrek kan brengen. Tussen partijen spitst het geschil zich toe op de vraag of het huurrecht tot het bedrijfsvermogen behoort.
LEES VERDER...
 
Hans Schenk voorzitter commissie herziening SER-Fusiegedragsregels
Hoogleraar Hans Schenk van Utrecht University School of Economics gaat als kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER) de commissie over de herziening van de SER-Fusiegedragsregels voorzitten. Dit laat de Universiteit Utrecht weten. Deze gedragsregels zijn in 2001 in werking getreden en beschermen de belangen van werknemers bij voorgenomen fusies tussen ondernemingen. Sindsdien zijn er verschillende knelpunten gesignaleerd bij de toepassing en reikwijdte van de SER Fusiegedragsregels.
LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden