Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Europees Hof over recht op een beurs studenten uit andere lidstaten

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Europees Hof over recht op een beurs studenten uit andere lidstaten

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  Voorpagina arrow Studenten arrow Europees Hof over recht op een beurs studenten uit andere lidstaten
 
Europees Hof over recht op een beurs studenten uit andere lidstaten
dinsdag, 18 november 2008
Uitspraak 18 november 2008 van het Hof in zaak C 158/07 Jacqueline Förster / Hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep. Het hof preciseert onder welke voorwaarden studenten uit andere lidstaten recht hebben op een beurs om in hun levensonderhoud te voorzien. Het gemeenschapsrecht verzet zich er niet tegen dat op deze studenten een voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf wordt toegepast

EHvJ - Op 5 maart 2000 heeft Förster, een Duits staatsburger, zich op 20-jarige leeftijd in Nederland gevestigd, waar zij zich heeft ingeschreven voor een opleiding tot leraar basisonderwijs en, per 1 september 2001, voor een bacheloropleiding pedagogiek aan de Hogeschool van Amsterdam.

Tijdens haar studie heeft Förster diverse werkzaamheden in loondienst verricht. Vanaf september 2000 heeft de IB-Groep, de bevoegde autoriteit inzake financiering voor hoger onderwijs, aan Förster een beurs toegekend om in haar levensonderhoud te voorzien.

Deze autoriteit was van mening dat Förster moest worden aangemerkt als een „werknemer” en, bijgevolg, op het terrein van beurzen om in het levensonderhoud te voorzien, moest worden gelijkgesteld met een student met de Nederlandse nationaliteit.

Bij een controle heeft de IB-Groep evenwel vastgesteld dat Förster tussen juli 2003 en december 2003 geen betaalde arbeid had verricht. Van mening dat Förster niet langer als werknemer kon worden aangemerkt, heeft de IB-Groep het besluit inzake de beurs om in haar levensonderhoud te voorzien ongedaan gemaakt voor het tijdvak van juli 2003 tot en met december 2003. Förster is te kennen gegeven dat zij de teveel betaalde bedragen moet terugbetalen.

In hoger beroep tegen die uitspraak heeft Förster met name gesteld dat zij gedurende het tijdvak in kwestie al voldoende in de Nederlandse samenleving was geïntegreerd om als student op grond van het gemeenschapsrecht aanspraak te hebben op een beurs om in haar levensonderhoud te voorzien. In dit verband beroept zij zich op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Bidar [1] , waarin voor recht is verklaard dat indien de betrokken student gedurende een bepaalde tijd in de ontvangende lidstaat verblijf heeft gehouden, dit het bestaan aantoont van een zekere mate van integratie.

Naar aanleiding van dat arrest heeft de IB-Groep een beleidsregel vastgesteld op grond waarvan een student van de Europese Unie gedurende een ononderbroken periode van tenminste vijf jaar legaal in Nederland verblijf moet hebben gehad voordat hij in aanmerking komt voor studiefinanciering.

De Centrale Raad van Beroep, die in hoger beroep uitspraak moet doen op het door Förster ingestelde beroep, heeft het Hof van Justitie verzocht om te preciseren onder welke voorwaarden een student uit een andere lidstaat in aanmerking kan komen voor een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien.

In zijn arrest van heden herinnert het Hof eraan dat een student die legaal in een andere lidstaat verblijft, zich, ter verkrijging van een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien, op het verbod van elke discriminatie op grond van nationaliteit kan beroepen.

Aangezien de verblijfsduurvoorwaarde niet kan worden tegengeworpen aan studenten met de Nederlandse nationaliteit, rijst de vraag welke grenzen kunnen worden gesteld aan het recht van studenten die onderdanen zijn van andere lidstaten, op een beurs om in hun levensonderhoud te voorzien, zonder dat de hieruit mogelijk voortvloeiende gedifferentieerde behandeling kan worden aangemerkt als zijnde discriminerend.

In dit verband herinnert het Hof eraan dat het gerechtvaardigd is dat een lidstaat steun ter dekking van de kosten van het levensonderhoud van studenten enkel toekent aan studenten die blijk hebben gegeven van een zekere mate van integratie in de samenleving van deze staat, en dat de vaststelling dat de betrokken student gedurende een bepaalde tijd in de ontvangende lidstaat verblijf heeft gehouden, het bestaan van deze mate van integratie aantoont.

In casu is het Hof van oordeel dat een voorwaarde van vijf jaar ononderbroken verblijf geschikt is om te garanderen dat de aanvrager van de betrokken beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien in de ontvangende lidstaat is geïntegreerd. Zij kan derhalve niet als excessief worden aangemerkt.

Door belanghebbenden in staat te stellen ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen te kennen, waarborgt de door de beleidsregel van de IB-Groep gestelde verblijfsvoorwaarde, door haar bestaan zelf, een hoog niveau van rechtszekerheid en transparantie in het kader van de toekenning aan studenten van beurzen om in hun levensonderhoud te voorzien.

In deze omstandigheden verzet het gemeenschapsrecht zich er niet tegen dat op onderdanen van andere lidstaten een voorwaarde van vijf jaar voorafgaand verblijf wordt toegepast.

[1] Arrest van 15 maart 2005, Bidar (C-209/03, Jurispr. blz. I‑2119)

 
< Vorige   Volgende >


 woensdag, 22 november 2017





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Supermarkt aansprakelijk voor glijpartij ingang winkel
Letselschadezaak. Bezoeker van een supermarkt glijdt bij de ingang van de winkel uit doordat de (door regen kletsnat geworden) droogloopmat onder zijn voet wegglijdt. De rechtbank acht de supermarkt aansprakelijk voor de schade.
LEES VERDER...
 
'Rechterlijke samenwerking is goed, maar slecht ingebed'

De Rechtspraak, Den Haag -  Onderlinge afspraken tussen rechters over strafhoogtes en rekenmethoden bevorderen de eenheid in het recht, maar zijn nog te weinig wettelijk verankerd. Een deel van deze rechterlijke regelingen kan beter zichtbaar gemaakt worden.

Dat stelt onderzoeker Ard Schoep in zijn bijdrage aan de zojuist verschenen bundel ‘Rechterlijke Macht, studies voor rechtspraak en rechtshandelingen in Nederland’.

Afspraken
Een deel van de beslissingen in de rechtszaal vloeit voort uit afspraken en regelingen die gemaakt zijn door rechters zelf. Die afspraken worden vaak landelijk nagevolgd en hebben daarmee veel invloed. Een bekend voorbeeld is de formule waarmee kantonrechters sinds vijftien jaar de hoogte berekenen van ontslagvergoedingen: grofweg het aantal dienstjaren maal het maandsalaris.

LEES VERDER...
 
U I T G E L I C H T
Vanmiddag debat over mensenrechten en internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen
Vanmiddag te zien en horen: hoe staat het met de naleving van mensenrechten door het Nederlands bedrijfsleven? En hoe bevordert de overheid het respecteren ervan? Daarover vergadert de Tweede Kamer vandaag van 14.00 tot 16.30 uur.
LEES VERDER...
 
Alex Brenninkmeijer wordt hoogleraar Institutionele aspecten van de rechtsstaat

“Als oud-rechter, voormalig Nationale ombudsman en tegenwoordig lid van de Europese Rekenkamer heb ik ervaring met drie instituties van de rechtsstaat, het lijkt mij geweldig om mijn ervaring in de Utrechtse academische context te delen en mee te werken aan het strategisch thema Instituties”, aldus Brenninkmeijer.

Vanaf juli dit jaar is voormalig nationaal ombudsman dr. Alex Brenninkmeijer (1951) hoogleraar ‘Institutionele aspecten van de rechtsstaat’ aan de Universiteit Utrecht, zo laat de UU weten.

LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden