Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - President Hoge Raad Geert Corstens: Wakkere Rechters ook scholen in Forensische wetenschappen

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - President Hoge Raad Geert Corstens: Wakkere Rechters ook scholen in Forensische wetenschappen

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  Voorpagina arrow Opinie arrow President Hoge Raad Geert Corstens: Wakkere Rechters ook scholen in Forensische wetenschappen
 
President Hoge Raad Geert Corstens: Wakkere Rechters ook scholen in Forensische wetenschappen
vrijdag, 13 maart 2009

}

Rechters moeten meer en meer gaan studeren. Tot de permanente educatie behoort ook voortaan ook scholing in de Forensische wetenschappen, de logica, biologie, scheikunde en andere vakken. Als voorbeeld van het het mis kan gaan noemt de president van de Hoge Raad het orthopedisch schoenmakerarrest, maar ook het het "poppenspel-arrest".

Zo blijkt uit de toespraak van mr. G.J.M. (Geert) Corstens getiteld de 'wakkere rechter', een voordracht van , op het startsymposium Nederlands Register van gerechtelijke deskundigen op 12 maart 2009. Sinds deze genoemde zaken wordt het alleen maar technischer en dat vraagt om deskundigheid.

Geert Corstens ziet de aangescherpte motiveringsplicht ingevolge het nieuwe art. 51k lid 2 Sv overigens niet zitten. Het gevaar van standaardformules lonkt dan en daar heeft niemand iets aan, stelt de raadsheer terecht.

De 'wakkere rechter' gaat verder over punten van kritiek die de afgelopen tijd ten opzichte van vooral de strafrechter zijn geuit. Dat brengt hem bij het Register en enkele ‘ins en outs’ daarvan en de relevantie van het Register voor de strafrechter.

De wakkere rechter

Voordracht startsymposium Nederlands Register van gerechtelijke deskundigen op 12 maart 2009

door Mr. G.J.M. Corstens, president van de Hoge Raad der Nederlanden

Geachte aanwezigen, dames en heren

Het is een groot genoegen om op deze heuglijke dag te mogen spreken. Want zo zie ik de start van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen: als een bijzonder verheugend moment. Mij is gevraagd om het Register in deze voordracht te benaderen vanuit de invalshoek van de rechterlijke macht. En dat doe ik vanzelfsprekend graag.

Mijn voordracht geef ik de titel mee: "De wakkere rechter". Zij heeft de volgende opbouw. Ik begin met een korte beschouwing van enkele punten van kritiek die de afgelopen tijd ten opzichte van vooral de strafrechter zijn geuit. Deze beschouwing zal mij als vanzelf doen belanden bij het Register. Aan het einde van mijn voordracht bespreek ik enkele 'ins en outs' van het Register en de relevantie van het Register voor de strafrechter.

Strafrechters liggen de laatste tijd onder vuur. Het boek "De slapende rechter" van W.A. Wagenaar, H. Israëls en P.J. van Koppen heeft in de media een scala aan verwijten losgemaakt. Ik noem er een paar, waarvan sommige overigens niet alleen strafrechters, maar de gehele rechterlijke macht betreffen. Er wordt gesproken over een 'closed shop', waarin iedereen elkaar de hand boven het hoofd houdt, interne kritiek niet wordt getolereerd en kritiek van buitenaf wordt genegeerd. Strafrechters wordt verweten dat zij eigenlijk niet geïnteresseerd zijn in waarheidsvinding, dat zij niet genoeg kennis hebben, onvoldoende alert zijn, hun uitspraken nauwelijks inzichtelijk en begrijpelijk zijn en dat zij elementen die hun niet bevallen uit het dossier 'wegstrepen'. Kort samengevat worden vooral strafrechters neergezet als 'slapende rechters' die eigenlijk niet geëquipeerd zijn om hun vak uit te oefenen.

De rechtspraak neemt deze - en andere - kritiek zeer serieus, zeker als deze afkomstig is van vooraanstaande critici. Het recht is er voor de samenleving en ook de rechters zijn er daarom voor de samenleving. Kritiek uit de samenleving kan de rechtspraak niet zonder meer naast zich neerleggen. De rechtspraak moet duidelijk maken wat met de kritiek wordt gedaan en waarom. Anders zal het vertrouwen in de rechtspraak snel afbrokkelen. En dat zou een zeer ongewenste situatie zijn, gelet op de belangrijke maatschappelijke functie van de rechtspraak.

U zult begrijpen dat ik nu niet de gelegenheid heb om op al de genoemde kritiekpunten in te gaan. In het algemeen kan ik wel zeggen dat het beeld van 'slapende rechters' niet juist is. De suggestie dat rechters niet wakker zijn en niet weten waar zij mee bezig zijn, berust op drijfzand. Dat geldt overigens ook voor de stelling dat juristen minder zouden zijn toegerust voor waarheidsvinding dan mensen met een andere achtergrond.

Zo dadelijk zal ik op één van de kritiekpunten dieper ingaan. Dan gaat het om kritiek op de wijze waarop strafrechters omgaan met deskundigen en met hun standpunten en rapportages. Eerst wijd ik echter nog een paar woorden aan de wijze waarop rechters inzicht geven - en moeten geven - in hun functioneren.

Rechters geven inzage in de wijze waarop zij tot hun beslissing komen door de in hun uitspraken opgenomen motiveringen. Dat is een heel basale, maar tegelijk ook heel belangrijke vorm van laten zien waarom je iets doet. Dit gebeurt bovendien in alle stappen van het strafproces: bij een rechtbank, bij een hof in hoger beroep en bij de Hoge Raad in cassatie. Op het terrein van de motivering van beslissingen van strafrechters zijn de laatste jaren belangrijke stappen voorwaarts gezet. Ik noem het project Promis dat ten doel heeft de beslissingen van strafrechters beter en voor de niet-jurist begrijpelijker te motiveren. Vermeldenswaardig is verder het nieuwe motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 2 Sv dat de strafrechter verplicht op onderbouwde standpunten van vervolging en verdediging uitdrukkelijk te reageren, iets wat voorheen in mindere mate gold. De Hoge Raad heeft daaraan in een richting gevend arrest nader vorm gegeven.(1) Het komt erop neer dat, zeker in zaken van gewicht, rechters op alle niveau's en bij de Hoge Raad de procureur-generaal en de advocaten-generaal in hun conclusies, hun beslissingen en adviezen stevig motiveren.

Ik voeg toe dat in de rechtspleging, anders dan wel wordt gesuggereerd, kritische elementen zijn ingebouwd. Rechters schrikken er niet voor terug om door collega's gegeven oplossingen onderuit te halen. De appèlrechtspraak in strafzaken is gericht op het kritisch beoordelen van het werk van collega's en mondt vaak uit in vernietiging van de beslissing van de rechter in eerste aanleg. Bij de cassatierechtspraak komt dat zelfs in de naamgeving tot uitdrukking: casseren is vernietigen.

Dat rechters inzicht geven in hun beslissingen door middel van de in hun uitspraken opgenomen motiveringen, betekent niet dat zij kritiek op hun functioneren in alle gevallen kunnen pareren door te stellen dat zij spreken door hun uitspraken. Vanzelfsprekend bestaan er grenzen bij het beantwoorden van vragen over hun functioneren.

Hoewel deze lastig in het algemeen zijn aan te duiden, dienen rechters bijvoorbeeld niet publiekelijk te reageren op kritiek op specifieke door hen gewezen uitspraken, vooral niet wanneer het onderliggende geding nog niet tot een einde is gekomen. In een dergelijk geval geldt wel onverkort dat rechters spreken door hun uitspraken.

Dit ligt echter anders wanneer het om serieuze en aanhoudende kritiek gaat die een meer algemene strekking heeft - wanneer het functioneren van de rechtspraak als zodanig, dus los van specifieke zaken en uitspraken, ter discussie wordt gesteld. In zo'n geval is er voor de rechtspraak geen beletsel om te antwoorden, om duidelijk te maken hoe men met de kritiek omgaat.

Genoeg hierover.

Zoals gezegd wil ik op één van de kritiekpunten dieper ingaan. Strafrechters wordt wel verweten dat zij niet altijd even goed omgaan met deskundigen en met hun standpunten en rapportages, welk verwijt gepaard gaat met de kritiek dat strafrechters soms onvoldoende kennis hebben om deskundigen te kunnen volgen en om een deskundigenrapportage op waarde te schatten. De invoering van het Register vormt een mooie aanleiding om deze kritiek nader te beschouwen.

Er bestaan verschillende voorbeelden van strafrechterlijke uitspraken waarin de deskundigheid van een deskundige en/of de betrouwbaarheid van een door een deskundige gehanteerde onderzoeksmethode een belangrijke rol spelen. Ik noem twee voorbeelden.

In de eerste plaats het zogenaamde orthopedisch schoenmakerarrest.(2) In deze zaak had de vermoedelijke dader van een barbaarse moord een voetspoor achtergelaten. De politie schakelde een orthopedisch schoenmaker in om bij het verdere onderzoek te helpen. Hij werd ter terechtzitting gehoord en verklaarde daar dat hij zoveel overeenkomsten tussen de op de plaats delict aangetroffen schoensporen en de schoenen van de verdachte had aangetroffen, dat uitgesloten was dat iemand anders dan de verdachte die sporen had gezet. De verdediging bestreed ter terechtzitting de deskundigheid van de orthopedisch schoenmaker om schoensporen te analyseren.

Het Hof bezigde de verklaringen van de orthopedisch schoenmaker toch tot het bewijs; zijn verklaringen waren volgens het Hof in onderlinge samenhang met de verklaringen van een andere deskundige voldoende betrouwbaar. Het in deze overweging vervatte oordeel van het Hof dat de orthopedisch schoenmaker wel degelijk voldoende deskundigheid bezit, kon volgens de Hoge Raad echter niet door de beugel. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof.

Dat uit de uitspraak van het Hof bleek dat de schoenmaker een jarenlange ervaring had als orthopedisch schoenmaker, daartoe een opleiding had gehad in 's-Hertogenbosch, en dat hij per jaar ongeveer vierhonderd mensen aan orthopedisch schoeisel hielp, mocht niet baten.

De Hoge Raad heeft in dit arrest aangegeven dat de rechter die met deskundigenbewijs wordt geconfronteerd zich rekenschap moet geven of de deskundigheid zich tot het onderhavige onderzoek uitstrekt en zo ja, welke methode is gebruikt. Verder moet de deskundige aangeven waarom hij de methode betrouwbaar acht en in hoeverre hij in staat is deze toe te passen. Daarmee heeft de HR aangesloten bij de zogenaamde Daubert rules, zoals die zijn ontwikkeld door het Supreme Court van de Verenigde Staten.(3)

Een tweede voorbeeld betreft het "poppenspel-arrest" van de Hoge Raad.(4) In deze zaak, die om incest draaide, werd bij het ondervragen van jonge kinderen gebruik gemaakt van anatomisch correcte poppen, waarmee seksuele handelingen kunnen worden gedemonstreerd. Deze methode was en is zeer omstreden, zeker wanneer de resultaten daarvan voor het bewijs worden gebruikt in een strafzaak. De verdediging vocht de betrouwbaarheid van het onderzoek dan ook aan, en vroeg om nader onderzoek daarvan door de rechter-commissaris. Het Hof passeerde dit verzoek en gebruikte het gewraakte onderzoeksrapport voor het bewijs. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak: het Hof had de verwerping van het verweer met redenen moeten omkleden.

De genoemde zaken dateren van 1989 en 1998. Ik vrees dat de vragen waarvoor strafrechters in soortgelijke zaken komen te staan er in de tussenliggende jaren bepaald niet gemakkelijker op zijn geworden. Binnen de forensische wetenschappen hebben zich immers spectaculaire ontwikkelingen voorgedaan.

Misschien wel het beste voorbeeld is de rol die DNA-bewijs in het strafrecht is gaan spelen. Daarnaast valt onder meer te denken aan ontwikkelingen in morfologisch haaronderzoek, forensische psychologie, toxicologie, letseldatering en digitale technologie.

Op al deze gebieden kunnen in de strafrechtspraak deskundigen worden ingeschakeld. De benoeming van deskundigen stelt de strafrechter voor allerlei vragen: is de deskundige wel werkelijk deskundig op het betreffende terrein? Gebruikt hij een betrouwbare onderzoeksmethode? En hoe kunnen en moeten de uitkomsten van zijn onderzoek worden geïnterpreteerd?

Om deze vragen goed te kunnen beantwoorden heeft de strafrechter een bepaald kennisniveau nodig. Het gaat dan om kennis die - in lijn met de ontwikkelingen - regelmatig moet worden opgefrist. Hoe kan een rechter deze kennis verkrijgen en behouden? In de eerste plaats valt te denken aan de rechtenstudie. Tijdens de studie moet in het bijzonder in het kader van strafrechtelijke master-opleidingen ook aandacht worden besteed aan de forensische wetenschappen in brede zin. Forensische wetenschappen zouden daarnaast een rol moeten spelen tijdens de RAIO en RIO-opleidingen. En tenslotte zouden strafrechters tijdens hun hele loopbaan met regelmaat cursussen en opleidingen op dit gebied moeten volgen om hun kennis op peil te houden.

Er worden op forensisch wetenschappelijk gebied al verschillende opleidingen en cursussen aan rechters worden aangeboden. En rechters besteden sinds kort verplicht minstens 30 uren per jaar aan externe opleiding. Dat juich ik van harte toe. Er kan een stap verder worden gezet.

Forensische wetenschappen zouden een duidelijkere en vastere plaats moeten krijgen in de 'éducation permanente' van strafrechters, door bijvoorbeeld strafrechters verplicht te laten deelnemen aan bepaalde cursussen en opleidingen op dit terrein. Ik wijs in dit verband ook op het vorig jaar tijdens de landelijke strafrechtersdag gepresenteerde boek De Strafrechter en Profil. Dat boek gaat onder meer in op de noodzakelijke materiedeskundigheid bij de strafrechters en de verhouding tussen generalisten en specialisten.

Deze studie heeft ook geleid tot de conclusie en aanbeveling dat strafrechters beter opgeleid moeten worden in de basisbeginselen van statistiek, biologie, natuur- en scheikunde. Daarnaast zullen strafrechters bekend moeten zijn met de grondbeginsel van logica, wetenschapsleer en -filosofie.

Op het gebied van materiedeskundigheid zal in mei a.s. (t.g.v. de landelijke strafrechtersdag 2009) het 'handboek deskundigen voor de strafrechter' worden gepubliceerd. Ook dat is een eigen initiatief van de rechterlijke macht. Dit boek dat niet alleen handvatten geeft voor de implementatie van de Wet deskundige in strafzaken, biedt ook een concrete basis voor de beoordeling en waardering van de deskundigeninbreng.

Verder wordt er gewerkt aan de ontwikkeling van een opleiding Kritisch denken. Tijdens de landelijke strafrechtersdag in mei zal een concept van deze opleiding (inter-actief) worden gedemonstreerd aan de strafrechters, uiteindelijk natuurlijk met de bedoeling om vanuit het concept te komen tot een breed inzetbare opleiding. Tenslotte is ook op het gebied van zelfreflectie een project uitgevoerd waarvan de resultaten ook in dit voorjaar (tijdens de landelijke strafrechtersdag) worden gepresenteerd in de vorm van een breed inzetbaar 'instrument'.

Er zijn meer projecten gaande. De tijd ontbreekt daarover iets te zeggen.

Het voorgaande toont aan dat strafrechters, daartoe ook geïnspireerd door hun eigen organisatie, veel aan kwaliteitsbevordering doen.

Ik ben ervan overtuigd dat strafrechters vol inzet en op een integere wijze hun werk doen, ook wat betreft de beantwoording van forensische vraagstukken. Maar dit neemt niet weg dat de zich steeds verder ontwikkelende forensische wetenschappen aanleiding zullen blijven geven voor verdere opleiding, zodat de hoge kwaliteit van de Nederlandse strafrechtspraak over de volle breedte blijft gewaarborgd.

Ik meen dat de door mij voorgestane en voor een groot deel al in praktijk gebrachte aanpak een structurele oplossing biedt waarmee fouten kunnen worden vermeden. Betere opleiding, meer alertheid als het gaat om deskundigenbewijs, kritischer inzicht in de eigen beperkingen en die van de deskundigen, dat zijn zaken die veel kunnen bijdragen aan een betere strafrechtspleging. Deze aanpak past ook naadloos in de reeks van initiatieven en maatregelen die in de afgelopen jaren zijn genomen in het kader van het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de rechtspraak in Nederland.(5)

Opvallend is dat in het eerder genoemde boek "De slapende rechter" de aandacht vooral is uitgegaan naar een oplossing aan het einde van de rit: aanpassing van de herzieningsprocedure. Daar is helemaal niets mis mee, maar ik vind dat de oplossing voor de onderhavige problemen juist aan het begin van de rit moet worden gezocht en gevonden. Het is beter te voorkomen dan te genezen.

Overigens is niet alleen het kennisniveau van strafrechters een punt van aandacht. Zo is mij opgevallen dat deskundigen soms weinig kennis hebben van de wijze waarop een strafrechtelijke procedure is ingericht en de mogelijkheden en onmogelijkheden die daarmee gepaard gaan.

Het zou de rol van deskundigen en de waarde van hun rapportages in het strafproces zeer ten goede komen wanneer deskundigen zich tenminste op hoofdlijnen zouden verdiepen in de manier waarop een strafproces in Nederland vorm krijgt en in de aard en strekking van strafrechtelijke waarheidsvinding. Het al eerder genoemde in mei te presenteren 'Handboek deskundigen voor de strafrechter' zal de basis vormen voor de ontwikkeling van een handleiding deskundigen in strafzaken.

Deze handleiding, die bedoeld is voor ingeschakelde of in te schakelen deskundigen, biedt informatie aan de deskundige over de administratieve, formele en materiële eisen die aan de orde (kunnen) zijn bij de inschakeling als deskundige.

Ik kom aan bij het Register.

Ik noemde zo-even al een aantal vragen waarvoor de rechter bij het inschakelen van een deskundige - door hem of door de verdediging of openbaar ministerie - kan worden gesteld. Bij de beantwoording van deze vragen kan het Register een zeer waardevolle rol spelen. Het Register biedt strafrechters de mogelijkheid tot het kiezen van een deskundige, van wie de kwaliteit vooraf in algemene zin is gewaarborgd.

Natuurlijk wil dit niet zeggen dat alle moeilijkheden rond deskundigen in het strafproces in één klap zijn opgelost. En evenmin dat de strafrechter er blind vanuit kan gaan dat een deskundige uit het Register voldoende kwaliteit heeft op het terrein waarop zijn deskundigheid wordt ingeroepen. Maar het Register biedt de strafrechter wel degelijk een ferme steun in de rug wanneer het aankomt op het benoemen van deskundigen.

De bedoeling is natuurlijk dat het Register een belangrijke plaats gaat innemen in het strafrechtelijke bestel. Of dit streven werkelijkheid wordt zal volgens mij onder meer afhangen van de reikwijdte van het Register. In de eerste plaats zou ik ervoor willen pleiten dat het Register zoveel mogelijk deskundigheidsgebieden gaat beslaan, en niet beperkt blijft tot enkele grote deskundigheidsgebieden zoals forensische psychologie of DNA-techniek. De strafrechter zal niet alleen op grotere, maar juist ook op kleinere deskundigheidsgebieden moeite hebben om de deskundigheid van de op dat gebied werkzame personen te toetsen. Het Register zou een enorme meerwaarde hebben wanneer dit de strafrechter in zoverre een helpende hand biedt.

In de tweede plaats dienen zoveel mogelijk 'echte' deskundigen in het Register te worden opgenomen. Wanneer een bepaald expertisegebied door het Register wordt bestreken, dient er voor gezorgd te worden dat liefst alle, maar minstgenomen de grote meerderheid van de werkelijk deskundige personen op dat terrein in het Register zijn opgenomen.

Anders is onvoldoende duidelijk waarom de strafrechter nu juist een deskundige uit het Register zou moeten kiezen. Natuurlijk begrijp ik dat er haken en ogen zitten aan de door mij geschetste invulling van het Register. Maar toch lijkt het mij goed om te benadrukken dat vanuit de optiek van de strafrechter geldt: hoe uitgebreider het Register hoe beter.

Een interessant aspect van de plannen rond het Register is de aangescherpte motiveringsplicht. Het nieuwe art. 51k lid 2 Sv houdt in dat de rechter bij benoeming van een deskundige die niet is opgenomen in het Register dient te motiveren op grond waarvan hij als deskundige wordt aangemerkt. Aanknopingspunt voor strafrechter zijn dan de in art. 14 van het Besluit opgenomen kwaliteitseisen.

De introductie van deze motiveringsplicht past in een streven naar een transparantere strafrechtspraak. Dit streven ondersteun ik van harte. Strafrechters dienen hun beslissingen inzichtelijk te maken, onder meer door begrijpelijke, heldere motiveringen in hun uitspraken op te nemen. Dit geldt ook voor beslissingen omtrent de benoeming van deskundigen. Ik sta dus in beginsel positief ten opzichte van de motiveringsplicht, maar plaats wel enkele kanttekeningen.

Men kan zich afvragen of de rechter tot een motivering zou moeten worden verplicht in een geval waarin hij weliswaar een deskundige benoemt die niet in het Register is opgenomen, maar de deskundigheid van deze deskundige door niemand wordt betwijfeld. Niet door het openbaar ministerie en evenmin door de verdediging.

Een verplicht gegeven motivering lijkt in zo'n geval weinig toegevoegde waarde te hebben. Het gevaar bestaat dat strafrechters zich in dergelijke gevallen zullen gaan bedienen van standaardformules. "De heer of mevrouw X voldoet aan de in art. 14 van het Besluit genoemde kwaliteitseisen en wordt daarom door de Rechtbank als deskundige aangemerkt." Bij dergelijke standaardformules is niemand gebaat.

De te introduceren motiveringsplicht zal verder in zekere mate de reeds in art. 359 lid 2 Sv opgenomen motiveringsplicht overlappen. Indien openbaar ministerie of de verdediging het onderbouwde standpunt innemen dat een persoon niet deskundig is, dan zal de strafrechter reeds op grond van deze bestaande bepaling een gemotiveerde beslissing moeten nemen.

Ik kom tot een afronding.

Zoals ik al aan het begin van mijn voordracht zei, zie ik de introductie van het Register als een verheugend moment voor de strafrechtspraak. Ik hoop van harte dat het Register een vaste en belangrijke plaats gaat innemen in de strafrechtspraak, en later ook in de andere rechtsgebieden. Ik wens iedereen die bij het Register betrokken is veel succes.

1 HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma.
2 HR 27 januari 1998, NJ 1998, 404 m.nt. JR.
3 Zie daarover A.P.A. Broeders, Daubert en Saks: het einde van de klassieke identificatiecriminalistiek, NJB 2004, p. 1786-1798.
4 HR 14 maart 1989, NJ 1989, 747 m.nt. 'tH.
5 Een aantal van deze initiatieven en maatregelen wordt beschreven op www.rechtspraak.nl/Gerechten/RvdR/Kwaliteit+van+de+Rechtspraak.

 
< Vorige   Volgende >


 maandag, 20 november 2017





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Conservatoir beslag op urn met as omdat kind medaillon met as wil dragen net als de andere kinderen

Alleen aanvoeren dat band met overledene goed was blijkt onvoldoende

Een dochter wil een klein deel van de as van haar overleden vader in een medaillon dragen. De weduwe weigert echter afgifte en zo belandt de familie bij de rechter. De dochter (A) heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat B onzorgvuldig en aldus onrechtmatig jegens haar handelt door te weigeren een klein deel van de as van X aan haar af te staan, vooral omdat de andere (stief)kinderen van de overleden persoon wel een medaillon met as van X hebben gekregen. De dochter heeft op 9 januari 2013 - na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 3 januari 2013 - conservatoir beslag laten leggen op de urn met de as. Voor het aannemen van een zogeheten onrechtmatige daad zijn de nodige voorwaarden. De rechter beslist als volgt, na een korte inleiding op die criteria:

LEES VERDER...
 
Rechters gaan termijnen in civiele zaken strikt handhaven

De Rechtspraak, Den Haag - De termijnen in het rolreglement voor civiele dagvaardingszaken worden vanaf 1 oktober strikt gehandhaafd door alle rechtbanken. In de praktijk blijkt dat sommige rechters soepeler zijn dan anderen, als advocaten zich bijvoorbeeld niet aan de vastgestelde termijn houden bij het indienen van een uitstelverzoek. Daardoor ontstaat rechtsongelijkheid.

De landelijke Rolrechtersvergadering heeft daarom afgesproken met ingang van komend najaar weer streng de hand te houden aan de termijnen.

LEES VERDER...
 
U I T G E L I C H T
Vanmiddag debat over mensenrechten en internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen
Vanmiddag te zien en horen: hoe staat het met de naleving van mensenrechten door het Nederlands bedrijfsleven? En hoe bevordert de overheid het respecteren ervan? Daarover vergadert de Tweede Kamer vandaag van 14.00 tot 16.30 uur.
LEES VERDER...
 
Alex Brenninkmeijer wordt hoogleraar Institutionele aspecten van de rechtsstaat

“Als oud-rechter, voormalig Nationale ombudsman en tegenwoordig lid van de Europese Rekenkamer heb ik ervaring met drie instituties van de rechtsstaat, het lijkt mij geweldig om mijn ervaring in de Utrechtse academische context te delen en mee te werken aan het strategisch thema Instituties”, aldus Brenninkmeijer.

Vanaf juli dit jaar is voormalig nationaal ombudsman dr. Alex Brenninkmeijer (1951) hoogleraar ‘Institutionele aspecten van de rechtsstaat’ aan de Universiteit Utrecht, zo laat de UU weten.

LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden