Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Landsadvocaat: afluisteren (tappen) advocaten rechtmatig, NVSA-praktijk nummerherkenning onwenselijk

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Landsadvocaat: afluisteren (tappen) advocaten rechtmatig, NVSA-praktijk nummerherkenning onwenselijk

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  
 
Landsadvocaat: afluisteren (tappen) advocaten rechtmatig, NVSA-praktijk nummerherkenning onwenselijk
dinsdag, 1 maart 2005

'Telefoongesprekken van een verdachte kunnen op bevel van de officier van justitie, met machtiging van de rechter-commissaris, worden opgenomen. Processen-verbaal van het tappen worden ingevolge art. 126aa, lid 1 Sv bij de processtukken gevoegd, voor zover ze althans voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn.'

'Artikel 126aa, tweede lid Sv schrijft voor dat voor zover processen-verbaal en andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een verschoningsgerechtigde – een persoon die zich op grond van artikel 218 Sv zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd - die processen-verbaal en andere voorwerpen worden vernietigd. Voor de situatie dat de geheimhouder zelf als verdachte is aangemerkt geldt een specifieke regeling, die in dit kort geding niet aan de orde is.'

Zo schetst mr. drs. C.M. Bitter, landsadvocaat, het wettelijke kader voor het afluisteren (tappen) in het kader van een kort geding dat is aangespannen door de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA).

Het wettelijk stelsel is -aldus de landsadvocaat- in overeenstemming met
internationale verdragen, bevestigd door het EHRM (Europees hof voor de rechten van de mens) in zijn uitspraak van 25 november 2004. Het Human Rights Committee heeft in zijn uitspraak van 15 november 2004 een zelfde oordeel gegeven.

De landsadvocaat (de Staat dus) vindt verder de door NVSA voorgestane praktijk ­waarin met een systeem van nummerherkenning wordt voorkomen dat gesprekken via telefoonnummers die door advocaten zijn opgegeven worden opgenomen 'onwenselijk'.

Tekst pleitnota (OM)

 1. Inleidende opmerkingen

1.1 Opnieuw stelt de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) de wijze waarop het Openbaar Ministerie omgaat met telefoongesprekken met geheimhouders die over de tap komen in kort geding aan de orde. Eerder deed zij dat eind 2001; dat kort geding heeft geresulteerd in een vonnis van 19 december 2001 (zie prod. 1). De NVSA stelt zich nu opnieuw op het standpunt dat de "praktijk omtrent het beluisteren, registreren en vernietigen van geheimhoudersgesprekken op basis van art. 126aa Sv" onrechtmatig is. Zij vordert op die grond dat de Staat (het Openbaar Ministerie) wordt bevolen een aantal maatregelen te nemen om aan deze in haar ogen onrechtmatige praktijk een einde te maken.

1.2 De NVSA verlangt dat de voorzieningenrechter het Openbaar Ministerie in beginsel verbiedt telefoongesprekken te tappen als voorafgaand aan die gesprekken bekend is dat daaraan waarschijnlijk een advocaat in de uitoefening van zijn werkzaamheden zal deelnemen. De NVSA moet volledig en onverwijld over de hiertoe toe te passen techniek worden geïnformeerd. Het is bekend dat de NVSA een systeem van nummerherkenning voor ogen heeft; zij verwijst daar ook naar in de dagvaarding.

1.3 Als telefoongesprekken worden getapt waarvan niet vooraf bekend was dat er waarschijnlijk een advocaat in de uitoefening van zijn werkzaamheden aan deel zou nemen, maar daaraan blijkt toch een advocaat deel te nemen, moeten die gesprekken binnen 24 uur nadat is gebleken dat er een advocaat aan deelneemt worden vernietigd.

1.4 De voorzieningenrechter moet het Openbaar Ministerie verder gebieden de elektronische of schriftelijke registratie van de hiervoor bedoelde gesprekken die al vóór het vonnis waren getapt en geregistreerd en voor zover de vernietiging van deze registratie een verplichting van de officier van justitie ex art. 126aa Sv is (in verband met het overgangsrecht van de Wet BOB, die per 1 februari 2000 in werking trad), op zodanige wijze te vernietigen dat de registratie daarvan niet nog op enigerlei wijze kan worden achterhaald.

1.5 De Staat concludeert dat geen sprake is van een onrechtmatige praktijk en dat de vorderingen geen grondslag vinden in het wettelijk stelsel, zodat zij moeten worden afgewezen.

2. Kort geding

2.1 Daargelaten dat de Staat meent dat de tappraktijk ten aanzien van geheimhouders niet onrechtmatig is, zodat de vordering op die grond moet worden afgewezen, vraagt de Staat zich af wat het spoedeisend belang van de NVSA is, dat rechtvaardigt dat de kwestie in kort geding aan de orde wordt gesteld.

2.2 Het vorige kort geding, waarin het ging om dezelfde materie, is ruim drie jaar geleden gevoerd. Naar aanleiding daarvan heeft het College van procureurs-generaal een Instructie opgesteld met een procedure voor het omgaan met geheimhoudersgesprekken. Deze Instructie dateert van 12 maart 2002. In maart 2002 heeft de NVSA het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) gevraagd een onderzoek in te stellen. Dat heeft geleid tot een rapport van 16 juli 2003. De Minister van Justitie heeft op 29 september 2003 aan het CBP laten weten geen aanleiding te zien voor een aanpassing van de regeling. In zijn antwoord verwijst hij mede naar de beantwoording van kamervragen van 18 juli 2003. In november 2004 kwam de NVSA met een nieuw kort geding, dat overigens vrij snel na aankondiging al weer tot februari 2005 werd aangehouden.

2.3 Dat is een zodanig tijdsverloop, ook al bezien tegen de achtergrond van de verwijten van de NVSA – er is, kennelijk al jaren, sprake van een ernstige aantasting van het recht op vertrouwelijke communicatie met verschoningsgerechtigden - , dat niet direct duidelijk wordt waarom nu in kort geding een einde aan de vermeend onrechtmatige praktijken moet worden gemaakt. Dat geldt te meer waar het Europees hof voor de rechten van de mens zich inmiddels over de Nederlandse tappraktijk, meer in het bijzonder de positie van geheimhouders daarin, heeft uitgesproken en daarin geen strijd met verdragsbepalingen heeft geconstateerd. De Staat betwist dat de NVSA een voldoende spoedeisend belang heeft. Verder is het natuurlijk de vraag of de kwestie zich leent voor een beoordeling in kort geding, terwijl de te treffen voorzieningen ook geen voorlopig karakter hebben. Toewijzing van de vorderingen zou ingrijpende technische aanpassingen van de tapsystemen vergen. Voor dergelijke voorzieningen – met naar hun aard onherstelbare gevolgen - is het kort geding niet bedoeld. Voor technische aanpassingen als beoogd moeten bovendien waarschijnlijk aanbestedingsprocedures worden gevolgd, die geruime tijd in beslag nemen. Voor invoering van de gevorderde aanpassingen zal vermoedelijk omstreeks een jaar nodig zijn. Dat maakt overigens ook duidelijk dat toewijzing van de vorderingen in hun huidige formulering hoe dan ook onmogelijk zou zijn.Hierop stuiten de vorderingen al af.

2.4 In elk geval moet ook een inhoudelijke beoordeling leiden tot een afwijzing van de vorderingen.

3. Wettelijk Kader

3.1 Telefoongesprekken van een verdachte kunnen op bevel van de officier van justitie, met machtiging van de rechter-commissaris, worden opgenomen. Processen-verbaal van het tappen worden ingevolge art. 126aa, lid 1 Sv bij de processtukken gevoegd, voor zover ze althans voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn.

3.2 Artikel 126aa, tweede lid Sv schrijft voor dat voor zover processen-verbaal en andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een verschoningsgerechtigde – een persoon die zich op grond van artikel 218 Sv zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd - die processen-verbaal en andere voorwerpen worden vernietigd.Voor de situatie dat de geheimhouder zelf als verdachte is aangemerkt geldt een specifieke regeling, die in dit kort geding niet aan de orde is.

3.3 Kenmerkend voor het tappen van een telefoon is dat vantevoren niet bekend is welke gesprekken met welke personen zullen worden gevoerd. Dat kunnen gesprekken met geheimhouders zijn. De wettelijke regeling (de oude, van vóór de per 1 februari 2000 in werking getreden Wet BOB, verschilt daarin niet van de nieuwe) beoogt niet te verhinderen dat dergelijke gesprekken worden opgenomen en dat politie en justitie er kennis van kunnen nemen. Integendeel, het wettelijk systeem gaat er vanuit dat dat gebeurt: in de nieuwe tekst is zelfs uitdrukkelijk sprake van ‘opnemen’, terwijl artikel 125g (oud) Sv. nog sprak van´opnemen of aftappen´. Anders dan uit recente uitlatingen in de media zou kunnen worden afgeleid, heeft de wetgever dus uitdrukkelijk voor ogen gehad dat ook gesprekken met geheimhouders worden opgenomen en in een proces-verbaal worden vastgelegd.

3.4 De processen-verbaal waarin deze gesprekken worden gerelateerd, moeten echter voor zover ze mededelingen bevatten die onder het verschoningsrecht vallen onverwijld worden vernietigd. Art. 126aa, lid 2 Sv. schrijft dat voor. Dit stelsel vormt de uitkomst van de afweging die de wetgever heeft gemaakt tussen het zwaarwegende belang van de vertrouwelijke communicatie tussen geheimhouders en hun cliënten enerzijds en het belang dat is gemoeid met de waarheidsvinding in strafzaken anderzijds. Zie in dit verband de memorie van toelichting bij de Wet BOB, Kamerstukken II, 1996-1997, 25403, nr. 3, p. 61:"Het wetboek vrijwaart niet de verschoningsgerechtigde van onderzoek, het beschermt alleen de mededelingen die onder het verschoningsrecht vallen. Die bescherming biedt het wetsvoorstel, zeker nu het op dit punt vernietiging voorschrijft, in afdoende mate."En de Nota naar aanleiding van het Verslag, nr. 7, p. 40:"Het wetboek vrijwaart de verschoningsgerechtigde niet van onderzoek; het beschermt vooral de mededelingen die onder het verschoningsrecht vallen. Dat acht ik ook, het belang van de waarheidsvinding afwegend tegen het belang dat een ieder zich zonder vrees tot geheimhouders moet kunnen wenden, een juist vertrekpunt. Bescherming van de mededelingen die onder de geheimhoudingsplicht vallen, wordt in het wetsvoorstel wel degelijk geboden, zo vloeit uit artikel 126aa lid 2 voort." Zie over het oude, in dit opzicht gelijke, stelsel in lijn hiermee HR 29 juni 1993, NJ 1993, 692:"Het dwangmiddel bedoeld in art. 125g (oud) Sv wordt daardoor gekenmerkt dat het niet is gericht op reeds bestaand bewijsmateriaal. Bij de toepassing ervan is niet bekend welke gesprekken tussen welke personen zullen worden afgeluisterd en opgenomen, zodat onder omstandigheden daaronder, ook al gaat het om een door de verdachte gebezigde telefoonaansluiting, kunnen voorkomen gesprekken tussen de verdachte en een persoon met de bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv (…). Gelet daarop en op hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen heeft de wetgever - klaarblijkelijk na afweging van enerzijds het zwaarwegende belang dat een ieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan - onder andere - de advocaat in diens hoedanigheid wordt toevertrouwd, een advocaat te raadplegen, en anderzijds het belang dat is gemoeid met de waarheidsvinding in strafzaken die behoren tot de in art. 125g Sv bedoelde categorie - alsnog art. 125h tweede lid Sv ingevoegd. Die bepaling strekt er toe om eerstgenoemd belang in de mate waarin zulks noodzakelijk en verantwoord is, gelet op het belang van de waarheidsvinding in strafzaken, te beschermen."

3.5 In het tweede deel van lid 2 is nog een extra waarborg gelegen, doordat daarin is bepaald dat de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris nodig heeft als hij mededelingen van een geheimhouder die deze geheimhouder in die hoedanigheid heeft gedaan bij de processtukken wil voegen.

3.6 De ratio van de verplichting tot vernietiging van artikel 126aa, tweede lid Sv. is gelegen in de bescherming van het verschoningsrecht: er mag in het verdere verloop van de strafzaak geen acht worden geslagen op gegevens die onder het verschoningsrecht vallen. De bescherming van het verschoningsrecht brengt dan ook mee dat in geval de gegevens niet terstond worden vernietigd, er desondanks in de strafzaak geen acht op mag worden geslagen.Vgl. HR 10 oktober 1996, DD 1996, 51en HR 12 januari 1999, NJ 1999, 290

3.7 Voor de beoordeling van de vraag of zich de situatie voordoet waarop art. 126aa het oog heeft is kennisneming van de inhoud van de gesprekken nodig. De enkele omstandigheid dat een geheimhouder aan het gesprek deelneemt is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een geheimhoudersgesprek: de inhoud van het gesprek is doorslaggevend.

3.8 Artikel 126aa, tweede lid wordt nader uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur, het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken. Meer in het bijzonder de artikelen 4 en 5 van dat Besluit zijn van belang (Besluit van 15 december 1999, Stb. 1999, 548). Het Besluit houdt onder meer in dat de opsporingsambtenaar die stuit op een gesprek dat een geheimhoudersgesprek als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid zou kunnen zijn hiervan de officier van justitie onverwijld (dat wil zeggen zo snel mogelijk nadat het besef van een geheimhoudersgesprek is ontstaan) in kennis stelt. Stelt de officier van justitie vast dat inderdaad sprake is van een geheimhoudersgesprek dan beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voor zover zij mededelingen behelzen die gedaan zijn aan of afkomstig zijn van een geheimhouder. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt toegestuurd aan de officier van justitie. Dat is geregeld in artikel 4, leden 1 en 2 van het Besluit.

3.9 Artikel 5 van het Besluit bepaalt dat met de vernietiging van het proces-verbaal dat is opgeslagen op een afzonderlijke gegevensdrager gelijk staat "het op zodanige wijze bewerken van de gegevensdrager dat de gegevens die daaraan voor die bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn" (eerste lid). Op grond van het tweede lid staat met vernietiging van een voorwerp gelijk het op zodanige wijze bewerken van een voorwerp dat de gegevens die daaraan voor de bewerking konden worden ontleend, niet meer kenbaar zijn.

3.10 De beoordeling of sprake is van een geheimhoudersgesprek vindt sinds 1 februari 2000 door de officier van justitie plaats. Tenminste deze betrokkenen bij de strafzaak – het lid van het rechercheteam dat de gesprekken heeft uitgeluisterd en uitgewerkt of verwerkt en de officier van justitie - zullen kennis moeten nemen van de inhoud van de gesprekken. Dat is onvermijdelijk, en inherent aan het wettelijk stelsel. Een garantie dat politie en justitie in het kader van het lopende onderzoek in het geheel geen kennis nemen van contacten tussen cliënt en advocaat – of andere vertrouwenspersonen, zoals artsen, notarissen etc. – is er in dit stelsel dus niet. De wetgever heeft daar niet voor gekozen. Zie daarover ook ’t Hart in zijn noot onder HR 29 juni 1993, NJ 1993, 692, onderdeel 4. De garanties voor een door beroepsgeheim en verschoningsrecht gegarandeerde vertrouwelijkheid tussen hulpverlener en cliënt zijn volgens vaste rechtspraak ook niet-absoluut van aard.

3.11 In lijn hiermee is het de officier van justitie die in voorkomend geval opdracht geeft tot vernietiging van de desbetreffende gesprekken en tapverbalen. Die vernietiging moet op een zodanige wijze plaatsvinden dat de informatie redelijkerwijs niet meer is terug te lezen, en bijvoorbeeld voor het onderzoek(steam) niet meer beschikbaar is.

3.12 Omdat in het verleden, onder meer in het kader van het vorige kort geding, is gebleken dat de uitvoering van de wetgeving, meer in het bijzonder de vernietiging, niet in alle gevallen vlekkeloos is verlopen, heeft het College van procureurs-generaal aanleiding gezien, in aanvulling op het Handboek BOB, de regels te verhelderen en aan te scherpen in een instructie. Daarin is vastgelegd dat gesprekken met geheimhouders alleen zover worden uitgewerkt als nodig is om de beoordeling op grond van art. 126aa te kunnen maken; in dit verband is de term "verwerken" gebruikt. Daarmee wordt bedoeld dat wanneer een geheimhoudersgesprek wordt geconstateerd, bijvoorbeeld de mededeling dat met de raadsman wordt gesproken over op te roepen getuigen, de officier op basis van die enkele mededeling een bevel vernietiging kan geven. In veel gevallen hoeft de officier dus géén kennis te nemen van de woordelijke inhoud van het gesprek. In het verlengde daarvan wordt uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid voor de officier van justitie om met het rechercheteam af te spreken dat, als eenmaal bepaalde relaties tussen geheimhouder en cliënt bekend zijn, de gesprekken ook niet meer worden verwerkt, tenzij de inhoud toch aanleiding kan geven te veronderstellen dat geen sprake is van een geheimhoudersgesprek. Het gesprek wordt ook in die situatie in beginsel wel steeds beluisterd, om te controleren of een als geheimhoudersgesprek begonnen gesprek ook dat karakter houdt en niet bijvoorbeeld wordt voortgezet door een ander dan de geheimhouder.

3.13 Op deze wijze is sprake van een uitwerking die in overeenstemming is met de wet en de bedoeling van de wetgever. Het wettelijk stelsel is op zijn beurt in overeenstemming met internationale (mensenrechten)verdragen. Dat is inmiddels vastgesteld door het Europees hof voor de rechten van de mens in zijn uitspraak van 25 november 2004 (prod. 22 eiseres) (over de oude en de nieuwe regeling). Het Human Rights Committee heeft in zijn uitspraak van 15 november 2004 een zelfde oordeel gegeven (prod. 1) (over de oude regeling). Het EHRM heeft de klacht op grond van art. 35, par. 3 en 4 EVRM zelfs niet-ontvankelijk verklaard omdat de klacht als kennelijk ongegrond werd beoordeeld.Gelet op deze uitkomst ziet de Staat geen aanleiding nader te reageren op het rapport van het CBP van 16 juli 2003, dat een prominente plaats inneemt in de onderbouwing van de vorderingen. De conclusies van het CBP vinden geen steun in de uitspraken van het EHRM en het Human Rights Committee.

3.14 De Staat concludeert hieruit dat er geen grond is voor toewijzing van de vorderingen, die zouden neerkomen op een wijziging van het wettelijk stelsel. Er is ook geen enkele aanwijzing dat de wetgever aanleiding zou zien het wettelijk stelsel al weer aan te passen. Toewijzing van de vorderingen zou er dus op neerkomen dat de Staat wordt bevolen een stelsel in te richten dat afwijkt van hetgeen de wetgever voor ogen heeft gehad. Daarvoor ontbreekt een grond. Ook uit een oogpunt van bescherming van fundamentele rechten is er geen noodzaak voor wijziging, zodat de Staat daar niet toe kan worden gehouden.

3.15 De Staat acht de door de NVSA voorgestane praktijk – waarin met een systeem van nummerherkenning wordt voorkomen dat gesprekken via telefoonnummers die door advocaten zijn opgegeven worden opgenomen - ook onwenselijk. Niet ieder gesprek dat wordt gevoerd via een telefoonnummer dat op naam staat van een verschoningsgerechtigde is een geheimhoudersgesprek en bevat enkel mededelingen die onder het verschoningsrecht vallen.Rb. Alkmaar 1 juli 2003, NJ 2003, 684 over de vraag of een secretaresse een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt over een afspraak die zij met de verdachte heeft gemaakt. De rechtbank beantwoordde de vraag negatief. Rb. Amsterdam 20 juni 2001, NbSr 2001, 314, over de aanhouding van een verdachte nadat deze per telefoon een afspraak had gemaakt met zijn raadsman. De rechtbank zag daarin geen onrechtmatigheid.

3.16 Een voorbeeld van een situatie waarin nummerherkenning problematisch zou zijn wordt gegeven door prod. 17. Er was in die kwestie sprake van een verdachte die zich direct na een inbeslagneming had uitgeschreven uit de GBA en met onbekende bestemming was vertrokken. Enkele maanden daarna had hij zich in de GBA ingeschreven op het adres van het advocatenkantoor waar zijn raadsman kantoor hield. Nog eens enkele maanden later was hij weer op zijn oorspronkelijke adres ingeschreven, maar er was sprake van (aanwijzingen) dat hij zeer frequent op het advocatenkantoor verbleef. Van daaruit zou de verdachte telefoongesprekken (kunnen) voeren, zodat er aanleiding was voor het tappen van de telefoon van het kantoor. De rechter-commissaris heeft daarvoor overigens machtiging gegeven.

3.17 Ook derden kunnen dus gebruik maken van de telefoonaansluiting van een verschoningsgerechtigde, al dan niet met diens medeweten. In de praktijk zou het erop neerkomen dat "vrijplaatsen" worden gecreëerd waartoe de opsporingsinstanties onder geen enkele omstandigheid toegang zouden hebben. Dat kan leiden tot misbruik. Dat zou in verband met criminaliteitsbestrijding een groot probleem zijn. Veel advocatenkantoren werken bovendien met een huistelefooncentrale; dan is het veelal niet mogelijk in het kader van een blokkering van een opgegeven nummer alleen één of enkele nummers te blokkeren, maar zal het centrale nummer moeten worden geblokkeerd. Het is niet mogelijk om vanuit de tapsystemen het opnemen van gesprekken die worden gevoerd met bepaalde toestellen te "blokkeren", wel bestaat in bepaalde gevallen de mogelijkheid om nummers af te schermen, maar dat geeft weinig zekerheid omtrent de (mogelijke) gebruikers van de lijn. Bovendien zouden ook de telecomproviders daarvoor hun systemen moeten aanpassen, hetgeen gezien de huidige telecommunicatiewetgeving niet van hen kan worden geëist. Veelal zal geen zicht bestaan op ieder gebruik van de telefoonaansluiting. Deze kan dan vrij gemakkelijk voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor het voeren van gesprekken met het oog waarop nummerherkenning zou moeten plaatsvinden. De geheimhouders zelf hoeven dat helemaal niet te weten.

3.18 En als al een zodanige configuratie mogelijk is dat wel een relatie nummer-toestel kan worden vastgesteld, dan kan deze configuratie, al dan niet met medeweten van de gebruiker, op elk moment worden gewijzigd. Met faciliteiten als doorverbinden en doorschakelen kan zelfs de gebruiker niet meer garanderen dat een bepaald nummer bij een bepaald toestel hoort.

3.19 Bovendien blijken systemen in ontwikkeling te zijn die het mogelijk maken om het oorspronkelijke nummer waar vandaan wordt gebeld, te (laten) veranderen in een ander nummer. In de Verenigde Staten bieden bedrijven deze dienst al aan. Daarmee wordt verder afgedaan aan de betrouwbaarheid van een systeem van nummerherkenning.

3.20 Deze argumenten pleiten er vanuit verschillend perspectief tegen een systeem van nummerherkenning in te voeren, zoals de NVSA dat voorstaat, daargelaten dat de wetgever zo een systeem met de recente wettelijke bepalingen inzake de telefoontap niet voor ogen heeft gehad, zoals uitvoerig is toegelicht. Het systeem moet dus niet gewijzigd worden.

4. Uitvoering in de praktijk

4.1 Het voorgaande neemt niet weg dat ook het Openbaar Ministerie zwaar gewicht toekent aan de vertrouwelijkheid van communicatie tussen geheimhouders – overigens niet alleen advocaten - en hun cliënten. Het Openbaar Ministerie hecht daarom zeer aan een juiste toepassing van de regelgeving in de praktijk. In het kader van het vorige kort geding is gebleken van enkele incidenten, waarbij geheimhoudersgesprekken niet waren vernietigd, maar waren uitgewerkt en in het strafdossier gevoegd. Toen zijn direct maatregelen genomen om ook dit soort incidenten zoveel als mogelijk tegen te gaan.

4.2 Het College van procureurs-generaal heeft de hiervoor besproken Instructie opgesteld. Daarin is ook uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht dat de officier van justitie gebruik kan maken van de mogelijkheid opdracht te geven gesprekken met een bepaalde geheimhouder niet meer te verwerken, nadat één of een aantal van dit soort gesprekken is verwerkt en beoordeeld. Dat betekent dus dat de stappen 2 t/m 6 van de Instructie worden ‘overgeslagen’. De gesprekken worden dan niet meer verwerkt ten behoeve van kennisneming door de officier van justitie en deze neemt dus ook géén kennis van de inhoud van de gesprekken. In zo’n geval bestaat ook niet het risico dat de gesprekken per ongeluk in het strafdossier terecht komen. Bij brief van 29 juli 2003 van het College van procureurs-generaal aan alle parketten heeft het College erop gewezen dat een dergelijke zeer beperkte kennisname van communicatie met geheimhouders in principe de voorkeur verdient (prod. 2).

4.3 Verder is op verschillende wijzen binnen de organisatie van het Openbaar Ministerie en de politie bekendheid gegeven aan de procedures voor het verwijderen van gesprekken van geheimhouders. Het College van procureurs-generaal heeft bij uitvoerige brief van 21 december 2001 aan de hoofdofficieren van justitie, de hoofdadvocaten-generaal en de hoofden van de verschillende dienstonderdelen nog eens uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de regelgeving en de toepassing ervan in de praktijk (prod. 3). Dat is herhaald nadat de Instructie was vastgesteld, bij brief van 27 maart 2002 (prod. 4). De procedures voor het vernietigen van tapgegevens zijn besproken in het landelijk overleg van rechercheofficieren van justitie, en in het landelijk overleg van tapkamerbeheerders. De regelgeving is bovendien beschikbaar via het intranet van het Openbaar Ministerie en dat van de politie.

4.4 Daarnaast kan worden gewezen op de Landelijke Interceptie Organisatie, in 2000 opgericht met het oog op een herstructurering en centralisering van het tapproces. Juist vanwege de complexiteit van het beheer in combinatie met de snelle technologische ontwikkelingen op het terrein van de telecommunicatie is door de Ministers van Justitie en BZK destijds het initiatief genomen om te komen tot één landelijke organisatie voor het tappen. Dat draagt ertoe bij dat er eenduidig wordt gewerkt en dat eventuele problemen sneller worden onderkend en opgelost.

4.5 In het kader van de Landelijke Interceptie Organisatie is in 2003 door PWC een zogenaamd kwetsbaarheidsonderzoek uitgevoerd naar het tapproces (zie productie 6). Daarin is een aantal kwetsbare plekken gesignaleerd, waaronder op het punt van de vernietiging van geheimhoudergesprekken, zonder dat overigens misbruik in de systemen is vastgesteld.

4.6 Tegelijkertijd met de uitvoering van dit onderzoek zijn onder leiding van het Openbaar Ministerie en met ondersteuning van de rechterlijke macht in 2003 de beveiligingsaspecten van tapfaciliteiten onder de loep genomen en eisen geformuleerd waaraan een hedendaagse tapkamer moet voldoen. Het resultaat daarvan is de "Normstelling Inrichting Interceptiefaciliteiten" (zie productie 7). Met deze normen worden ook de door PWC geconstateerde zwakheden afgedekt. De Normstelling is geïmplementeerd in de regelgeving: zij is gebaseerd op de Regeling Informatiebeveiliging politie (Stcrt. 1997, nr. 60, zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 30 augustus 2004, Stct. 2004, 172, pag. 9). In de Regeling Informatiebeveiliging politie is vastgelegd dat de korpsbeheerders van de politieregio’s er voor moeten zorgen dat de inrichting van hun interceptiefaciliteiten voldoet aan de Normstelling.

4.7 Strikte naleving van de Normstelling is uiteraard van wezenlijk belang. De Normstelling schrijft met het oog daarop onder meer externe audits voor. In hoofdstuk 3 van de Normstelling is voorgeschreven dat er driejaarlijks een externe audit moet plaatsvinden, met dien verstande dat de eerste externe audit binnen twee jaar na vaststelling van de Normstelling moet plaatsvinden, dat wil zeggen in 2005. In het kader van deze externe audit moet worden beoordeeld of de Normstelling juist is geïmplementeerd en juist wordt nageleefd, of de interne controle adequaat is georganiseerd, of alle maatregelen toereikend zijn (met speciale aandacht voor de toegang van derden), of het management invulling geeft aan zijn verantwoordelijkheden uit hoofde van de Normstelling en hoe het management omgaat met incidentmeldingen. De eerste externe audit zal dus nog dit jaar worden opgezet.

4.8 Vermeld kan worden dat inmiddels elf politieregio’s zijn aangesloten bij het zogenaamde Tap Service Centrum van de Landelijke Interceptie Organisatie. Binnenkort sluiten zich nog eens acht politieregio’s, alle BOD’en, de KMAR en de Rijksrecherche aan en de verwachting is dat de overige regio’s zich in de loop van 2005 aansluiten.

4.9 Dan zal ook sprake zijn van één methode voor het vernietigen van tapgesprekken. Op dit moment worden nog verschillende methodes gebruikt, vanwege de verschillen in de gebruikte tapsystemen. Het hele tapproces, waaronder de wijze van vernietigen zelf, is overigens een beheerskwestie van de politieregio’s. Het OM moet er als verantwoordelijke voor de opsporing voor zorgen dat de procedures juist zijn en er mede op toe zien dat die procedures worden gevolgd, maar de feitelijke handelingen die leiden tot de vernietiging zijn een kwestie van de politie. Het Openbaar Ministerie draagt verantwoordelijkheid voor het resultaat.

4.10 Op deze wijze wordt al het mogelijke gedaan om ervoor te zorgen dat in overeenstemming met het wettelijk stelsel wordt omgegaan met tapgesprekken met geheimhouders. Uit de aanpak blijkt wel dat zeer serieus met de tapproblematiek wordt omgegaan. Het Openbaar Ministerie is ervan overtuigd dat met de maatregelen die in de afgelopen jaren zijn genomen en die, ongeacht de uitkomst van dit kort geding, ook de komende tijd nog worden genomen incidenten zo veel als mogelijk worden voorkomen.

4.11 Het Openbaar Ministerie betreurt eventuele incidenten uiteraard zeer en acht het van groot belang dat zij zich niet meer voordoen. Het zijn wel incidenten; er is bepaald geen sprake van een praktijk. Ook uit de producties van de NVSA kan niet worden opgemaakt dat sprake zou zijn van een praktijk. Deels betreft het overigens tapgegevens van rond en vóór 2001 - ook al van gevallen die tijdens het vorige kort geding ter sprake zijn gekomen - terwijl sindsdien maatregelen zijn getroffen om tot een verdere verbetering van het tapproces te komen.

4.12 De Staat wil incidenten niet goed praten. Maar een nuancering is wel op zijn plaats, namelijk dat misbruik niet is vastgesteld en dat het in de gevallen – het zijn er een paar, verspreid over enkele jaren (en bijv. de prods. 15 en 16 zien op dezelfde zaak) - waarin tapgesprekken die niet hadden moeten worden uitgewerkt en/of in het dossier gevoegd daarin toch terecht zijn gekomen vooral ging om gesprekken die geen mededelingen behelsden als waarop art. 218 Sv het oog heeft. Met name doel ik daarbij ook op de inhoud van de gesprekken in de zaak waarop prods. 9 t/m 14 zien. De incidenten waarvan melding wordt gemaakt zijn van een heel andere orde dan de incidenten die bij het vorige kort geding werden gemeld. De getroffen maatregelen hebben dus effect gehad. Op zichzelf mag ook duidelijk zijn dat het niet in het belang is van het Openbaar Ministerie om in deze kwestie onzorgvuldigheden te begaan. Integendeel. De sancties zijn zwaar.

4.13 De conclusie blijft dat de Staat niet onrechtmatig jegens de NVSA handelt door het stelsel niet aan te passen en door geen systeem van nummerherkenning in te voeren. Helaas blijkt zich soms nog een incident voor te doen - het Openbaar Ministerie blijft zich, ongeacht de uitkomst van dit kort geding, inspannen om incidenten tegen te gaan - maar van een onrechtmatige praktijk is geen sprake.

Zie ook de uitspraak van het EHRM van 25 november 2004, waarin het Europese Hof heeft overwogen dat de stelling dat verplichtingen in dit opzicht structureel of op grote schaal niet worden nagekomen speculatief is.

5. Conclusie

5.1 De Staat concludeert daarom tot afwijzing van de vorderingen. Kosten rechtens.

mr. drs. C.M. Bitter, landsadvocaat

 
< Vorige   Volgende >


 dinsdag, 21 november 2017





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
'Bedoeling was dat slachtoffer naar Suriname zou gaan en daar zijn dood in scene zou zetten'
Nationale Nederlanden Levensverzekeringen opgelicht, moord om uitkering

De verdachte heeft in de periode van 2 januari 2013 tot en met 25 februari 2013 te Rotterdam samen met een mededader het slachtoffer vermoord om een uitkering onder een levensverzekering te krijgen. Ook heeft hij een groot aantal (pogingen tot) fraude en valsheid in geschrifte gepleegd. Van enorme BTW-fraude tot fraude met kinderopvang en alles daartussen.

Een deel uit het standpunt van 41-jarige verdachte:

 'De verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de dood van[slachtoffer]. Hij erkent dat hij een verzekering bij Nationale Nederland op het leven van[slachtoffer] had afgesloten en ook dat dit gedaan is om Nationale Nederlanden op te lichten.[slachtoffer] en hij hadden dit samen opgezet. De bedoeling was dat[slachtoffer] naar Suriname zou gaan, dat hij daar zijn dood in scene zou zetten en dat hij dan onder een andere naam in Suriname zou blijven wonen. De uitkering van € 500.000,00 zou worden gedeeld tussen[slachtoffer] (€ 200.000,00) en de verdachte (€ 300.000,00). Dit plan is echter nooit uitgevoerd.

De verdachte had zelf onder een andere verzekering bij Nationale Nederlanden een uitkering geclaimd en gekregen nadat[slachtoffer], [medeverdachte] en hij op 2 januari 2013 een overval op de verdachte in scene hadden gezet. De verdachte vermoedt dat dit[slachtoffer] heeft geïnspireerd, dat[slachtoffer] en [medeverdachte] in de avond van 24 februari 2013 een overval in scene hebben willen zetten en dat [medeverdachte] daarbij[slachtoffer] heeft gedood. Hijzelf had[slachtoffer] nog afgeraden om een dergelijke fraude te proberen, omdat het bij Nationale Nederlanden zou opvallen dat er kort na elkaar twee keer een vergelijkbare schade zou worden geclaimd.

Uit de strafmotivering:

 'De verdachte heeft samen met een ander[slachtoffer] om het leven gebracht.[slachtoffer] is door de verdachte en diens mededader in een machteloze positie gebracht, nadat[slachtoffer] in de waan was gebracht dat deze (slechts) zou worden mishandeld om een verzekeringsuitkering te krijgen.[slachtoffer] is vervolgens op een vreselijke manier overleden. Van het vertrouwen dat[slachtoffer] in de verdachte, een vriend, had gesteld, is door de verdachte grof misbruik gemaakt. Het behoeft geen toelichting dat dit een zeer ernstig strafbaar feit is.

LEES VERDER...
 
Rechters gaan termijnen in civiele zaken strikt handhaven

De Rechtspraak, Den Haag - De termijnen in het rolreglement voor civiele dagvaardingszaken worden vanaf 1 oktober strikt gehandhaafd door alle rechtbanken. In de praktijk blijkt dat sommige rechters soepeler zijn dan anderen, als advocaten zich bijvoorbeeld niet aan de vastgestelde termijn houden bij het indienen van een uitstelverzoek. Daardoor ontstaat rechtsongelijkheid.

De landelijke Rolrechtersvergadering heeft daarom afgesproken met ingang van komend najaar weer streng de hand te houden aan de termijnen.

LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden