Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Ferme opinie van Geert Corstens over praktijkstages rechtenstudenten

Nederlands Juridisch Dagblad NJD § Juridisch nieuws - Ferme opinie van Geert Corstens over praktijkstages rechtenstudenten

 

Nederlands Juridisch Dagblad www.juridischdagblad.nl en via NJD.nu © MMII-MMXIII § Juridisch nieuws vanuit rechtspraktijk & rechtswetenschap
Juridisch nieuws voor juridisch Nederland 
§ Gebruiksvoorwaarden 
§ Mail uw nieuws- of persbericht naar de redactie (klik hier)

Onderhoud NJD 
twitter.com/juridischdag 
wel actueel
Inhoudsopgave
Voorpagina
Weer & verkeer
Hoofdpunten
Opmerkelijk
Persoonlijk
Zoeken
Opinie
Rechters
Advocatuur
Notariaat
Agenda
Uitgelicht
Wetten
Media
Jeugd
Studenten
Eerste Kamer
Onderhoud
Redactioneel
Ombudsman
Publicaties
Gebruikslicentie
NJD § RSS
Twiiter NJD
Prijsvraag
Grondwet
Hoge Raad
AFM
OPTA
Colofon
CONTACT


 
  Oriëntatie:  Voorpagina arrow Opinie arrow Ferme opinie van Geert Corstens over praktijkstages rechtenstudenten
 
Ferme opinie van Geert Corstens over praktijkstages rechtenstudenten
dinsdag, 1 februari 2011

Stages doe je maar in je vrije tijd en zónder studiepunten

Dat is zo'n beete de centrale zure strekking richting rechtenstudenten anno nu die volgt uit een betoog dat Geerst Corstens, president van de Hoge Raad, onlangs hield. Student-stagiaires krijgen geen minimumloon, moeten de twee of drie maanden vaak uit eigen zak betalen. De vergoeding is soms niet meer dan 200 euro voor fulltime (mee)werken. Er wordt een actieve deelname verwacht van de rechtenstudent, meeloopstage is uit. Corstens geeft overigens aan niet te weten hoe lang een rechtenstudie duurt.

Daarnaast wil hij dat niet elke master in aanmerking komt voor civiel effect, dus dat je toegelaten mag worden tot een togaberoep na je academische studie. En Europees recht zou niet langer een apart vak moeten zijn maar worden geïntegreerd in de verschillende rechtsgebieden. Geert Corstens zei dit alles tijdens een juridisch jaarcongres van Nederlandse faculteiten. Volledige 'Toespraak van mr. Geert Corstens tijdens Juridisch Jaarcongres der Nederlandse faculteiten op 28 januari 2011' is hieronder na te lezen.

Toespraak tijdens Jaarcongres der Nederlandse Juridische Faculteiten

Dames en heren,

Allereerst wil ik de organisatie van deze dag hartelijk bedanken voor de uitnodiging om als spreker op te treden. Het is inmiddels al weer een behoorlijk aantal jaren geleden dat ik de universitaire gemeenschap heb ingeruild voor de rechterlijke macht. Maar ik voel mij nog altijd nauw met de rechtswetenschappelijke wereld verbonden. Het doet mij dan ook genoegen om vandaag een aantal belangrijke onderwerpen met u te kunnen bespreken.

Het congres van vandaag heeft onder meer tot doel om van gedachten te wisselen over drie belangrijke thema’s: (a) wat moeten afgestudeerde juristen kennen en kunnen?, (b) welke didactische eisen stelt het juridisch onderwijs?, en (c) op welke wijze kan de professionalisering van docenten worden bevorderd? Ik zal het vandaag met u hebben over de eerste kwestie, en dan in het bijzonder over de eisen die vanuit het perspectief van de rechtspraak aan afgestudeerde juristen mogen en moeten worden gesteld.

Vorig jaar heb ik alle juridische faculteiten van Nederland bezocht en daar een voordracht gehouden over positie en domein van de rechter. Misschien bestaat naar aanleiding van deze bezoeken bij u de verwachting dat ik vandaag een oordeel over de kwaliteit van de door die faculteiten geboden opleidingen zal geven. Dan moet ik u echter teleur stellen. Om zich een grondig oordeel te vormen moet men meer doen dan een enkel bezoek brengen en vriendelijke gesprekken met faculteitsbesturen voeren. Daarbij lijkt het mij ook niet vruchtbaar om te discussiëren over de vraag welke faculteit of welke opleiding wel goed is en welke minder.

Vandaag zou het wat mij betreft niet in eerste instantie moeten gaan over de kwaliteit van specifieke juridische opleidingen, maar over de kwaliteit van de rechtenopleiding als zodanig. In dat verband zijn twee vragen belangrijk. In de eerste plaats de vraag wat iemand na afronding van een rechtenstudie zou moeten kunnen en weten. In de tweede plaats hoe in de praktijk zou kunnen worden bereikt dat een afgestudeerde aan dit ideaalbeeld voldoet.

Beide vragen zal ik kort aanstippen, vanuit het perspectief van de rechtspraak. Vanuit dit perspectief richt ik mij op de kwaliteit van de juridische academische opleidingen met civiel effect voor de rechtspraak. Dat civiele effect  zou moeten betekenen dat een afgestudeerd jurist in de desbetreffende vakken grondig thuis is, dat hij op die terreinen zware bagage heeft meegekregen om daarop werkzaam te zijn. De wet eist dat rechters, advocaten, leden van het OM  en notarissen –kort gezegd- op die terreinen thuis zijn.

Dat behoort niet een formaliteit te zijn, maar materiële inhoud te hebben. Gevolg van niet respecteren daarvan, kan en zal  zijn dat afgestudeerde juristen die materieel niet de vereiste bagage hebben meegekregen, ermee rekening moeten houden dat ze niet in de desbetreffende posities worden aangesteld. Een andere benadering lijkt mij niet houdbaar. Dat deze bezorgde benadering nadelig zal zijn voor de desbetreffende afgestudeerden en op termijn ook voor de faculteiten die de eisen minder serieus hebben genomen, behoef ik niet te adstrueren.

Welke eisen mogen aan een afgestudeerde in het recht worden gesteld, wat zou hij of zij moeten weten en kunnen? Op deze vraag kan ik betrekkelijk kort antwoorden. Het zal u waarschijnlijk niet zijn ontgaan dat onlangs een advies is verschenen van de Commissie stagiaire-opleiding, welke commissie onder voorzitterschap stond van de Rector Magnificus van de Radboud Universiteit, prof. Bas Kortmann. In dit advies, dat vandaag waarschijnlijk nog veel vaker zal worden aangehaald, wordt kort samengevat ingegaan op de wijze waarop de advocaat stagiaire-opleiding zou moeten en kunnen worden ingericht. In dit verband komt ook de rechtenstudie aan de orde.

De Commissie stagiaire-opleiding neemt in voorzichtige bewoordingen een standpunt in over de kwaliteit van de verschillende academische juridische opleidingen. Voor de goede verstaander is helder wat zij betoogt.[1] Ik verwijs overigens ook naar het prikkelend NJB-artikel van één van haar leden.[2] Op p. 25 van haar rapport geeft de commissie een opsomming van de eisen die naar haar mening aan een afgestudeerde in het recht mogen worden gesteld voor toelating tot de advocatuur. Ik stip een aantal van deze eisen kort aan. De afgestudeerde:

- heeft grondige kennis van en inzicht in het Nederlandse rechtssysteem en van de grondbeginselen en grondbegrippen van de belangrijkste rechtsgebieden die daarvan deel uitmaken,
- heeft kennis van en inzicht in het recht van de Europese Unie,
- heeft kennis van en inzicht in het (overige) internationale recht,
- is in staat vanuit metajuridische perspectieven kritisch reflectief over het recht na te denken,
- is in staat juridische vraagstukken te analyseren en te doorgronden,
- is in staat zich op academisch niveau uit te drukken en de resultaten van zijn analyse duidelijk en ondubbelzinnig te presenteren.

En zo heeft de Commissie nog een aantal kwaliteiten opgesomd die een afgestudeerde in het recht zou moeten bezitten. Bij de door de Commissie geformuleerde eisen sluit ik mij graag en volledig aan. Ook vanuit de optiek van de rechtspraak vormen deze eisen de minimumvoorwaarden waaraan een afgestudeerde zou moeten voldoen om voor toetreding tot de rechterlijke macht in aanmerking te kunnen komen.

Daarmee komen we aan bij de tweede vraag die ik zojuist noemde: hoe kan worden bewerkstelligd dat het geschetste beeld werkelijkheid wordt, hoe zou de rechtenstudie moeten worden georganiseerd en ingericht zodat afgestudeerden ook werkelijk aan de genoemde eisen voldoen? In dit verband wil ik graag een paar algemene opmerkingen maken.

Het lijkt mij voor de hand te liggen dat in juridische opleidingen met civiel effect voor aanstaande rechters sterk de nadruk ligt op het civiele recht, het strafrecht, het staats- en bestuursrecht en het Europese en internationale recht. Dat zijn immers de gebieden waarmee de rechter steeds in aanraking komt. Deze gebieden moeten in brede zin aan bod komen. Specialisaties in – bijvoorbeeld - bepaalde onderdelen van het civiele recht zijn naar mijn indruk weliswaar populair onder studenten, maar voegen vanuit het oogpunt van de rechtspraak niet veel toe en hebben zelfs het risico dat deze ten koste gaan van verdieping in de overige onderdelen van het civiele recht. In het oog moet naar mijn mening worden gehouden dat de rechtenstudie niet is bedoeld om iemand op te leiden tot specialist maar tot generalist. De specialisatie komt later, tijdens het werkzame bestaan. In de studie moet een goede en brede juridische basis worden gelegd. Een rechter moet in staat zijn een goede analyse van een hem voorgelegd probleem te maken. Hij of zij moet in staat zijn dat probleem in een juridisch kader te plaatsen. Dat is de kern van het rechtersambt. Het woord ambt ligt dicht aan tegen het woord ambacht. Rechtspreken is voor een aanzienlijk deel het beoefenen van een ambacht. Dat moet de rechter in de eerste plaats beheersen. De rechter dient, geconfronteerd met een casus, deze te kunnen plaatsen in de juridische context, de in aanmerking komende juridische begrippen daarop los te laten en deze vervolgens in het concrete geval toe te passen. Wie zou menen dat het beheersen van de grondbegrippen van het recht een eenvoudige zaak is, overschat, zo vrees ik menig student. Wie dit zegt zal wellicht zelf daarmee niet zo’n moeite hebben, maar moet niet veronderstellen dat dit voor een ieder geldt.

Naast de hoofdonderdelen van het Nederlandse recht dient naar mijn smaak – en in navolging van de Commissie stagiaire-opleiding - tijdens de rechtenopleiding aandacht te worden besteed aan metajuridische vakken zoals rechtsfilosofie en rechtsgeschiedenis.

Het is van groot belang dat een student al tijdens de studie wordt geleerd kritisch en zelfstandig te denken over het recht dat hij of zij later in zijn werk zal moeten gaan toepassen. Het kunnen toepassen van het geldende recht is simpelweg niet voldoende. Het vermogen tot kritische reflectie is een essentieel onderdeel van de bagage van een goede jurist en is ook voor een rechter een onmisbare competentie.

Een jurist moet in staat zijn het positieve recht tegen de achtergrond van ontwikkelingen in de samenleving te bezien. Hij moet liefst iets meer zijn dan een juridisch technicus. U hebt mij horen betogen dat hij dat in de eerste plaats moet zijn. Maar daarmee mag niet worden volstaan.

De toekomstige rechter moet ook autonoom kunnen denken, moet ook beslissingen van andere autoriteiten op hun merites kunnen beoordelen en deze niet zonder meer als een gegeven aanvaarden. Hij moet ook vraagtekens kunnen plaatsen en daarna eventueel afwijkende antwoorden durven geven.[3] Dit is overigens meer een kwestie van attitude, van habitus waaraan vooral ook in de beroepsopleiding aandacht moet worden besteed.

Ik vraag ook nog eens, maar soms dient er te worden herhaald, dat kennis van het Europese recht pure noodzaak is, voor elke toekomstige rechter. Zeker sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is voor de civiele, de strafrechtspleging en de bestuursrechtspleging dit recht onvermijdelijk. Je loopt er tegen aan en kunt er niet omheen.

Dit moet overigens in de opleiding meer en meer worden geïntegreerd in de klassieke vakken. Ideaalbeeld lijkt mij dat er straks niet meer separaat voor reguliere studenten Europees recht wordt gedoceerd, maar dit onderdeel vormt van staats- (daarom liever aan de te duiden als constitutioneel recht), bestuurs-, burgerlijk en strafrecht.

Een punt van zorg vormen praktijkstages. Verschillende bedrijven, kantoren en instellingen bieden studenten de mogelijkheid aan om stage te lopen. Dergelijke stages kunnen voor de student zeer interessant zijn, maar horen in een academische opleiding geen rol van betekenis te spelen. Stages mogen zeker niet de plaats innemen van academisch onderwijs.

Natuurlijk, als een student stage wil lopen, dan moet hij of zij dat vooral doen. Ik kan mij ook best voorstellen dat een student graag een goed beeld wil krijgen van een toekomstige beroepsgroep of werkgever en daarom kiest voor een stage.

Maar aan een stage behoren geen studiepunten te worden verbonden. Kort gezegd is een stage prima, maar dan wel in de vrije tijd van de student. Ik heb wel eens uitgeroepen dat ik niet begreep waarom men van die vier (of zijn het er misschien 6?) kostbare jaren tijd wil afsnoepen voor praktijkstages, dit in de wetenschap dat men nog ongeveer 40, en straks misschien nog langer, jaren stage kan lopen.

Wat zou dat alles moeten betekenen voor de vaardigheden. Daarover heb ik een duidelijk oordeel. Voor zover het betreft vaardigheden die specifiek zijn voor bepaalde togaberoepen, lijkt het mij voor de hand te liggen dat die in die beroepsgroepen worden bijgebracht. Onderhandelen is voor een advocaat belangrijker dan voor een rechter. Goed motiveren van een vonnis is op zijn beurt iets dat de rechter moet kunnen. Inzicht in de methodologie van onderzoek lijkt mij iets dat afhankelijk van de beroepsgroep waarin men belandt wel of niet in de beroepsopleiding een plaats moet krijgen.

Een officier van justitie die vaak wordt geconfronteerd met resultaten van technisch onderzoek, heeft er meer aan dan de doorsnee familierechter. Met andere woorden, u hoort mij niet betogen dat juristen niets moeten weten van sociale wetenschappen, van psychologie, van rechtseconomie.

U hoort mij slechts stellen dat de jurist die rechter wil worden of, meer in het algemeen, degene die een togaberoep wil gaan vervullen, in de eerste plaats de grondbegrippen van het recht dient te beheersen. Daarbij is het aan de docenten om die grondbegrippen ook in hun maatschappelijke en historische context te plaatsen. Dat maakt deel uit van het bijbrengen de hiervoor bepleite habitus.

Ter afsluiting nog een paar woorden over de inrichting van de studie. De bachelor en masterfasen beslaan samen vier jaren. Er zijn dus vier jaren beschikbaar om ervoor te zorgen dat de student bij afstuderen aan de al genoemde eisen voldoet. Een periode van vier jaren lijkt lang, maar is dat in deze context niet. Ik denk ook dat als men wil bereiken dat een afgestudeerde aan de genoemde eisen voldoet, er weinig ruimte meer zal overblijven voor specialisatie of voor verdieping in aan het recht gelieerde gebieden.

Men zou kunnen betogen dat zou moeten worden nagestreefd dat een student het beoogde niveau al na de bachelorfase bereikt heeft. Dat lijkt mij echter niet realistisch. Om aan de eisen van het civiele effect te voldoen, zal het overgrote deel van de vier jaren moeten worden besteed aan bestudering van de brede hoofdvakken.

Slechts een klein deel, waarbij ik denk aan één trimester, zal overblijven voor specialisatie of oriëntatie op bijv. empirische wetenschappen. Dit betekent dat de opleidingen met civiel effect niet in grote mate van elkaar zullen kunnen verschillen. Er is hoogstens ruimte voor verschillende accenten.

Hierbij moet u zich wel bedenken dat het absoluut niet mijn bedoeling is om faculteiten voor te schrijven hoe zij hun opleidingen vorm en inhoud zouden moeten geven. Het gaat mij slechts om de vraag hoe een juridische opleiding eruit zou moeten zien om voor civiel effect in aanmerking te komen. Dat universiteiten een master aanbieden waarin bijvoorbeeld Competition Law centraal staat is wat mij betreft prima. Het enige wat ik daarover zeg is dat een dergelijke opleiding niet in aanmerking komt voor civiel effect. Maar dat betekent niet dat de universiteit deze Master niet langer zou kunnen aanbieden. Het civiel effect is immers niet zaligmakend.

Ik kom nu aan het einde van mijn betoog.

De academie en de rechtspraktijk hebben aan de ene kant natuurlijk verschillende belangen. Maar aan de andere kant streven beiden naar hetzelfde doel. Dat doel is: het op peil houden en waar mogelijk verhogen van de kwaliteit van de rechtenstudie. Vanuit dit gezamenlijke streven weet ik zeker dat we tot een open en vruchtbare discussie kunnen komen over het uitdagende onderwerp van de invulling en inrichting van de academische rechtenopleidingen.

Ik dank u voor uw aandacht.

[1] Commissie stagiaire-opleiding, Met recht advocaat, 20 oktober 2010, p. 23-24.
[2] M. Ahsmann, Het civiel effect biedt niet wat het pretendeert. Over de aansluiting van de universitaire opleiding op de togaberoepen, NJB 2011, p. 66-70.
[3] Zie in dit verband M. A. Loth, Met goddelijk goud gemengd, investeren in het menselijk kapitaal van de rechtsstaat, Trema 2005, p. 247-256.

 
< Vorige   Volgende >


 dinsdag, 21 november 2017





DE UITSPRAKEN

DE ZAAK HOLLEEDER, links naar de uitspraken:

BC0703 Willem Holleeder, afpersing en leider criminele organisatie
BC0697 Maruf M. medeverdachte Holleeder. Endstra is onder valse voorwendselen naar het kantoor van zijn toenmalig raadsman gelokt waar hij in de kamer van die raadsman - Bram Moszkowicz - is bedreigd door onder andere deze verdachte. Endstra is hierdoor bewogen grote sommen geld af te staan.
BC0708 Marcel K.
BC0710 Vriendin Holleeder: Maaike Dijkhuis (schuldwitwassen)

Lees ook over Holleeder (link) in het NJD



O P M E R K E L IJ K
Supermarkt aansprakelijk voor glijpartij ingang winkel
Letselschadezaak. Bezoeker van een supermarkt glijdt bij de ingang van de winkel uit doordat de (door regen kletsnat geworden) droogloopmat onder zijn voet wegglijdt. De rechtbank acht de supermarkt aansprakelijk voor de schade.
LEES VERDER...
 
Rechters gaan termijnen in civiele zaken strikt handhaven

De Rechtspraak, Den Haag - De termijnen in het rolreglement voor civiele dagvaardingszaken worden vanaf 1 oktober strikt gehandhaafd door alle rechtbanken. In de praktijk blijkt dat sommige rechters soepeler zijn dan anderen, als advocaten zich bijvoorbeeld niet aan de vastgestelde termijn houden bij het indienen van een uitstelverzoek. Daardoor ontstaat rechtsongelijkheid.

De landelijke Rolrechtersvergadering heeft daarom afgesproken met ingang van komend najaar weer streng de hand te houden aan de termijnen.

LEES VERDER...
 
U I T G E L I C H T
Minister Timmermans prijst inzet vrouwen vredesproces Syrië

Syrische vrouwen gaan zich mengen in het vredesproces in Syrië, meldt het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een groep van 50 Syrische vrouwen, genaamd 'het Syrische Vrouwen Initiatief voor Vrede en Democratie', roept op 'tot wereldwijde steun aan het vredesproces in Syrië en roept de strijdende partijen op hun verschillen te overbruggen'. Dit is nodig om de weg vrij te maken voor een pluralistisch en democratisch Syrië, waar vrouwen en mannen gelijke rechten hebben.

Vandaag gaat de groep in gesprek met de VN-bemiddelaar Brahimi.

LEES VERDER...
 
UvA-eredoctoraten voor econoom Alvin Roth en rechtsgeleerde James Crawford
UvA - De Universiteit van Amsterdam (UvA) kent eredoctoraten toe aan econoom en Nobelprijswinnaar Alvin Roth en rechtsgeleerde James Crawford. Crawford ontvangt het eredoctoraat vanwege de grote invloed die hij heeft op de internationale rechtswetenschap, in het bijzonder op het internationale aansprakelijkheidsrecht.
LEES VERDER...
 


 
 
       

Nederlands Juridisch Dagblad © 2002-2013 Ook te lezen via NJD.nu
Gebruiksvoorwaarden NJD (klik hier)
Alle rechten voorbehouden